Blog

Interested in being published on our blog? We love to hear your opinions on the legal topics of the day. Send your 700-word piece to secgen.utrecht@nl.elsa.org by the 20th of any given month and you might get a chance to appear on our website!

Wil jij gepubliceerd worden op onze website? Wij horen graag wat jij te zeggen hebt over rechtsgerelateerde onderwerpen. Stuur een stuk van 700 woorden naar secgen.utrecht@nl.elsa.org voor de 20e van elke maand en maak kans om op onze website te verschijnen!

‘’Het zwijgrecht moet worden opgeheven’’ – say what?

Wat als we het zwijgrecht opheffen? In het programma Dit vindt Nederland bleek uit een peiling dat 64% van Nederland zou vinden dat het zwijgrecht moet worden opgeheven (seizoen 1, afl. 15). In Dit vindt Nederland worden uiteenlopende stellingen besproken en wordt de mening van Nederlanders in een percentage uitgedrukt. In het programma worden de stellingen besproken door verschillende bekende Nederlanders. Dit vindt Nederland is ‘’(…) het programma waarin de mening van iedere Nederlander telt (…)’’, zegt presentatrice Harlequin aan het begin van de uitzending (het programma wordt overigens niet langer uitgezonden). Ik denk dat we ons ook vooral de vraag kunnen stellen waarom we het zwijgrecht niét zouden moeten opheffen.

Twee gasten in het programma waren vóór de afschaffing van het zwijgrecht, in de eerste plaats presentatrice Olcay Gulsen. Gulsen zegt: ‘’Ja ik ben het hier deels wel mee eens, vooral in deze zaak (de zaak Nicky Verstappen, red.), ik bedoel, ik vind het wel een klap in het gezicht van de familie, die al tweeëntwintig jaar opzoek is naar antwoorden en dan die antwoorden alsnog niet krijgt.’’ Gulsen lijkt de afschaffing van het zwijgrecht te rechtvaardigen met het oog op de belangen van de nabestaanden.

Het dienen van de belangen van de nabestaanden door middel van de afschaffing van het zwijgrecht lijkt mij echter geen goed idee. Het recht dat de verdachte niet verplicht is om tot antwoorden over te gaan is onder andere neergelegd in artikel 29 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Met deze wettelijke grondslag voor het zwijgrecht heeft de wetgever in theorie gewaarborgd dat het zwijgrecht in elke concrete strafzaak aan de verdachte toekomt. Hiermee is in theorie gewaarborgd dat zowel schuldige verdachten (‘die het gedaan hebben’) als onschuldige verdachten (‘die het niet gedaan hebben’) eenzelfde beroep op het zwijgrecht toekomt. Kende ons recht het zwijgrecht niet, dan zou de situatie zo kunnen worden opgevat dat de verdachte in feite een soort ‘spreekplicht’ zou hebben. Een onschuldige verdachte zou dan bij wijze van spreken moeten gaan liegen om de officier van justitie en de rechter een ‘wenselijk’ antwoord te kunnen geven. Maar ook een schuldige verdachte kan door de afwezigheid van het zwijgrecht onterecht een bepaald vertekend beeld van zichzelf schetsen. Strafvordering is er ook omdat het leed dat de verdachte de maatschappij heeft aangedaan tot vergelding noopt (vergeldingsdoel). Het zwijgrecht is er onder andere zodat de verdachte een noodzakelijk tegenwicht kan bieden tegen de machtige overheid die tot vervolging is overgegaan. Waar de belangen van het slachtoffer raken aan deze doelstelling, begrijp ik niet zo goed, laat staan dat het zwijgrecht om voornoemde redenen zou moeten worden opgeheven.

De tweede gast die vóór de afschaffing van het zwijgrecht was, is journalist Sander de Kramer. De Kramer zegt: ‘’Ik ben het er wel mee eens hoor, van mij mag het zwijgrecht er vandaag nog aan. Zeker in de zaak-Jos B (…), je ziet aan alles, hij weet meer ervan, er is DNA op het onderbroekje van (…) gevonden. Die man die deugt gewoon aan geen enkele kant, dat zie je aan alle kanten (…)’’. De Kramer lijkt haast te impliceren dat het zwijgrecht aan het proces van waarheidsvinding in de weg zou staan en om die reden moet worden opgeheven.

Wat De Kramer hier zegt, druist mijns inziens ook in tegen de gedachte achter de onschuldpresumptie en lijkt bovendien te berusten op een gebrek aan inzicht in de methodologie van waarheidsvinding. Zijn standpunt lijkt haast te impliceren ‘dat sommige verdachten meer recht hebben om te zwijgen dan anderen’. Het is, zo voorgesteld, bijna alsof de wetgever de rechter de bevoegdheid zou moeten geven om in een concreet geval naar eigen inzicht te bepalen welke verdachten ‘zwijgrechtwaardig’ zouden zijn. Als de verdachte dan ‘schuldig genoeg is’, mag de verdachte dan niet langer zwijgen? Dat zou neerkomen op een soort ad hoc-zwijgrecht. ‘Meneer, u mag alleen zwijgen als ik als rechter vind dat u onschuldig genoeg bent!’. Als strafzaken een dergelijk verloop krijgen ben ik bang dat we in de toekomst nog meer rechterlijke dwalingen zullen krijgen. Het is daarom denk ik wederom geen goed idee om het strafrecht op voornoemde gronden af te schaffen.

De hiervoor genoemde standpunten en argumenten zagen uitsluitend op de uitgesproken meningen van de gasten in Dit vindt Nederland. Als inderdaad 64% van Nederland zou vinden dat het zwijgrecht moet worden opgeheven, kan ik me niet indenken hoeveel verschillende meningen er daadwerkelijk zijn over fundamentele rechten zoals het zwijgrecht. Heel veel waarschijnlijk. Zullen de meeste van deze meningen ook getuigen van kennis van en inzicht in de fundamentele principes en uitgangspunten van de democratische rechtstaat? Ik zou het niet weten. Het moge in ieder geval duidelijk zijn dat er genoeg onzin wordt verkondigd. Natuurlijk kan niet van iedere burger worden verwacht dat deze de strafrechtjurist gaat uithangen. Maar we mogen toch wel hopen dat de burger enige basale kennis van en inzicht in de aard en inrichting van ons strafrecht heeft? Of niet dan? Hopelijk is dat ook wat Nederland vindt.

Written By: Hannes Brown

Ontbreekt het in het huidig Nederlands familierecht aan een draagmoederschapsregeling?


Hedendaags kent het Nederlands familierecht geen specifieke wettelijke regeling op het gebied van draagmoederschap. Hierdoor ontstaat veel rechtsonzekerheid volgens ministers Dekker en Van Engelshoven. Namens het kabinet schreven zij aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer een brief, waarin zij de herijking van het ouderschap bespreken. Het kabinet bericht onder meer voornemens te zijn om tot een wettelijke regeling voor draagmoederschap te komen. Hiermee tracht het kabinet belangrijke stappen te zetten die op evenwichtige wijze aansluiten bij de veranderingen en de behoeften in de samenleving van vandaag en in de toekomst.

In de draagmoederschapsprocedure zijn onder meer de volgende partijen betrokken. De draagmoeder is de vrouw die zwanger is geworden met het voornemen het kind te baren ten behoeve van een ander, aan wie ze het kind na de geboorte afstaat. Tevens kan sprake zijn van een draagvader, indien de draagmoeder is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan. De wensouders zijn de personen die hun kinderwens in vervulling willen laten gaan, door het dragen en baren van het kind door de draagmoeder. De algemene wettelijke bepalingen omtrent verkrijging van ouderschap en gezag zijn van toepassing op hedendaagse draagmoederschapsprocedures. De draagouders verkrijgen vanaf de geboorte van rechtswege het juridisch ouderschap en ouderlijk gezag over het kind. Het juridisch ouderschap behelst een familierechtelijke betrekking. Een kind, zijn ouders en hun bloedverwanten staan in familierechtelijke betrekking met elkaar. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de juridische ouder om het minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Om als wensouders vervolgens het juridisch ouderschap en ouderlijk gezag te verkrijgen, dient een lange, complexe en onzekere procedure doorlopen te worden. Zo kan de draagmoederschapsprocedure jaren duren, biedt het huidig Nederlands recht geen specifieke regelgeving op het gebied van draagmoederschap en kan de draagmoeder gedurende de procedure niet afgedwongen worden om het kind af te staan. Het huidig Nederlands familierecht is zogezegd niet optimaal toegerust om aan draagmoederschapswensen te voldoen.

Blijkens huidig Nederlands familierecht verkrijgt de draagmoeder vanaf de geboorte het juridisch moederschap over het kind dat zij baart. Dit komt voort uit het adagium ‘mater semper certa est’, het moederschap is altijd zeker. De moeder van een kind is namelijk de vrouw uit wie het kind is geboren volgens artikel 1:198 lid 1 onder a BW. Indien het genetisch materiaal afkomstig is van een andere vrouw, geldt nochtans dat de vrouw die het kind baart van rechtswege wordt belast met het juridisch moederschap. Is de draagmoeder op het tijdstip van de geboorte gehuwd of een geregistreerd partnerschap aangegaan, dan is de echtgenoot respectievelijk de geregistreerde partner van de draagmoeder de juridische vader volgens artikel 1:199 lid 1 onder a BW. Hiervan is eveneens sprake wanneer geen genetisch verwantschap bestaat tussen de draagvader en het kind. De draagouders zijnde juridische ouders verwerven van rechtswege het ouderlijk gezag over het kind blijkens artikelen 1:251 lid 1 BW en 1:253aa lid 1 BW.

De draagmoederschapsconstructie ziet op de overdracht van juridisch ouderschap en gezag van de draagouders op de wensouders en kent in beginsel het volgende beloop. Na de geboorte doen de draagouders afstand van het kind en dragen zij het kind feitelijk over aan de wensouders. Voor de opneming van het kind in het gezin is toestemming vereist van de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad voor de Kinderbescherming stelt een onderzoek in omtrent de al dan niet noodzakelijke beëindiging van het gezag van de juridische ouders. Nadien kunnen de Raad of het Openbaar Ministerie de rechter verzoeken om het gezag van de draagouders over het kind te beëindigen volgens artikel 1:267 lid 1 BW. Tegelijkertijd kunnen de wensouders de rechter verzoeken om met de voogdij over het kind te worden belast. Nadat de wensouders het minderjarige kind tenminste een jaar hebben verzorgd en opgevoed, kunnen zij verzoek tot adoptie indienen bij de rechter, mits eveneens wordt voldaan aan de overige voorwaarden van artikelen 1:227 lid 1 BW en 1:228 lid 1 BW. De wensouders kunnen slechts tezamen verzoeken, indien zij tenminste drie aaneengesloten jaren met elkaar hebben samengeleefd voorafgaand aan de indiending van het verzoek. Zodra de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, zijn de wensouders de juridische ouders van het kind en verkrijgen zij van rechtswege het ouderlijk gezag over het kind.

In tegenstelling tot de huidige draagmoederschapsconstructie, zullen ingevolge de wettelijke draagmoederschapsregeling voorgenomen door het kabinet, de wensouders vanaf de geboorte met het juridisch ouderschap worden belast. Afspraken tussen draag- en wensouders worden voor de bevruchting vastgelegd in de draagmoederschapsovereenkomst en bij het verzoek aan de rechter gevoegd. De rechter toetst onder meer of de draag- en wensouders zich hebben laten voorlichten en adviseren en of geen contra- indicaties bestaan voor de overdracht van het juridisch ouderschap. De voorlichting en advisering impliceert dat vrijwillige instemming van alle betrokkenen helder dient te zijn. Indien de rechter betreffende afspraken goedkeurt middels een beschikking, wenden de wensouders zich tot de ambtenaar van de burgerlijke stand voor de akten van aanvaarding van ouderschap. De wensouders verkrijgen met deze akten vervolgens vanaf de geboorte van rechtswege het juridisch ouderschap en gezag over het kind. Aldus bestaat reeds voor de geboorte rechtszekerheid omtrent het juridisch ouderschap indien de voorgestelde wettelijke draagmoederschapsregeling tot wet wordt gemaakt.

In Nederland worden steeds meer kinderen geboren met behulp van draagmoederschap. De huidige draagmoederschapsconstructie doet een lange, complexe en onzekere route ontstaan voor betrokkenen. Met de voorgestelde wettelijke draagmoederschapsregeling wordt dit voor een groot deel weggenomen. Mogelijk ontstaan echter andere knelpunten wanneer dit voorstel tot wet wordt gemaakt, wordt bijvoorbeeld het belang van het kind bij informatie omtrent zijn of haar afstamming voldoende gewaarborgd? En wat gebeurt er met het belang van de draagmoeder? Op dergelijke vragen zal een antwoord gevonden moeten worden om rechtszekerheid voor betrokken partijen voldoende te kunnen waarborgen.

Written By: Celine Vacirca

Liability of Retail Platforms

In April last year, the CJEU was requested to answer prejudicial questions on liability for platforms like Amazon in the case between Coty (a corporation involved in producing many perfumes and fragrances) and Amazon. Coty has many registered trademarks in its portfolio and had noticed that products marked with these trademarks were sold through Amazon. The Court was asked to rule whether or not Amazon could be held liable for any damage resulting from trademark-infringing products being sold on Amazon’s platform. It is important to notice that Amazon is not the seller of these infringing products. Nowadays, Amazon is starting to show similarities to platforms like eBay and AliExpress. Multiple different sellers have the option to sell by using Amazon’s platform and brand awareness. This is comparable to the service Bol.com, a leading Dutch consumer-retail platform, offers. Amazon offers an additional service to sellers, called the Fulfillment by Amazon (FBA) program. This basically means that the sellers’ products are being stored in Amazons warehouse and are shipped by Amazons workers, straight to the ordering customer.

In the case in front of the Court of Justice of the European Union, the Court ruled that Amazon has a ‘Duty of Care’ (in Dutch: zorg-/inspanningsplicht). This duty contains taking preliminary measures to prevent infringing products from entering the market. However, this does not mean that Amazon is liable as a direct interferer. The Court refers the case back to the German Bundesgerichtshof (Supreme Court, in Dutch: Hoge Raad). In this case the Bundesgerichtshof has to rule on the case in particular.

The CJEU and the Bundesgerichtshof both mention interference liability (derdenaansprakelijkheid). Interference liability can be used in cases like an unauthorized upload of a copyright-infringing video on Youtube. Is Youtube to be held liable in a case like this? They are responsible for the platform on which the infringing video can be uploaded, but does that mean they should be responsible for the content on this platform, posted by other people than themselves? In this day and age, questions like these are becoming increasingly important.

Interference liability does not only reach to platforms like Youtube and Facebook, but also to major retail-platforms like Amazon and the Dutch Bol.com. In the case Amazon/Coty, for which the CJEU answered prejudicial questions on behalf of the German Bundesgerichtshof in April 2020, the CJEU and the Bundesgerichtshof both found an obligation on the side of Amazon. This obligation is best described as a ‘Duty of Care’. How far this duty reaches, is dependent on the relevant elements of the individual case. In this case particulary the matter in question was about providing production numbers of the possibly infringing products to the rightful trademark owner, Coty. The effort it would take Amazon to retrieve this kind of information from the sellers would be minimal, according to the court. Therefore, it lies within the responsibility of Amazon to provide information to Coty in order to assist them in combating counterfeit.

Since this has been stated by case law, the question rises if Amazon i.e. has an obligation to prevent trademark-infringing products from even entering the market through its platform. Does the Duty of Care reach so far that Amazon needs to actively pursue the battle on counterfeit? Many people would like to see it this way. However, the measures should be proportional to the effort it would cost Amazon. It is practically impossible for platforms like Amazon to check every product or even every seller on possibly trademark-infringing symbols. Therefore, the Duty of Care for Amazon is not a bad thing, not at all, but this Duty of Care should be limited. Fortunately, the CJEU and the higher courts of Germany agree with me.

Written by: Janco van Kooij

is zonder groepsaansprakelijkheid het einde zoek?

De omstreden avondklok heeft kennelijk voor veel onrust gezorgd. In verschillende steden in het land zijn opruiende personen, veelal jonge mannen, de straat op gegaan om onrust te stoken, met de autoriteiten op de vuist te gaan, vernielingen aan te brengen en wat dan wel niet nog meer. In meerdere steden zijn zelfs rellen uitgebroken. In Enschede probeerde relschoppers de ramen van een ziekenhuis aan flarden te gooien. In den Haag (een stad die overigens de afgelopen jaren wel vaker iets heeft met vuur) worden objecten in de brand gestoken en is op beeldmateriaal te zien hoe een politieagent moet vluchten voor een groepje jongeren. Tilburgenaren steken auto’s in brand en ook Eindhoven en Amsterdam kunnen er iets van, het Museumplein had even iets weg van een mosh pit (gelukkig is het concertgebouw ongehavend gebleven). De politie gebruikt waterkannonen en drijft op tactische wijze het gepeupel terug de zijstraten in, weg van het Plein, weg van de chaos. Het rellende publiek lijkt te bestaan uit een combinatie van gefrustreerde meelopers, opportunistische draaideurcriminelen, hooligans, ‘first timers’ en mensen die denken dat de rel een legitiem middel is om onvrede omtrent overheidsoptreden aan het licht te brengen. Wie het niet eens is met de avondklok blijft veelal braaf thuiszitten, maar neemt veelal – zo blijkt maar – ook het heft in eigen handen en zorgt dan voor opruiing, geweld en een incidentele ramkraak. Wat betreft dit laatste, maar eigenlijk vooral wat betreft schade van welke soort dan ook die wordt veroorzaakt door voornoemde praktijken, ja wie gaat die vergoeden?

Wie nadenkt over schadevergoeding komt al snel uit bij het systeem van foutenaansprakelijkheid. Ons civiele aansprakelijkheidsrecht biedt natuurlijk een algemene grondslag tot schadevergoeding in artikel 6:162 BW. Partijen die elkaar niet uit contract kennen (d.w.z. er is sprake van een buitencontractuele situatie) kunnen elkaar aansprakelijk proberen te stellen op grond van deze bepaling. De aansprakelijkheid voor eigen onrechtmatig handelen kent zoals velen zullen weten vijf vereisten: er moet sprake zijn van onrechtmatigheid, toerekenbaarheid, schade, causaliteit en relativiteit. In volledigere termen: een onrechtmatige daad, een toerekenbare onrechtmatige daad – of ‘fout’ –, een vorm van schade, causaal verband – in de zin van ‘CSQN’ – en er moet zijn voldaan aan het relativiteitsvereiste (goed, de terminologie wordt door verschillende auteurs net weer iets anders uitgelegd). Wie kan bewijzen dat een ander aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad, die heeft recht op schadevergoeding van die ander (in geld of natura). Het onrechtmatigedaadsrecht is daarom bij uitstek een uitzondering op het beginsel dat eenieder zijn eigen schade draagt (o.a. vanwege de relatief hoge drempels voor aansprakelijkheid).

En precies die bewijslast is immers zo vaak een perikel, het blijkt met name vaak een hele opgave om het causale verband tussen de onrechtmatige handeling en de schade aan te tonen. Als we kijken naar de schade die is ontstaan in al die steden ten gevolge van rellen, inbraken en eenvoudige tot grootschalige vernielingen, biedt artikel 6:162 BW niet altijd soelaas. Het wordt moeilijk als een stuk of tien man je winkel binnen dendert, in het wilde weg slaat, van alles uit de schappen rukt en deels meeneemt, ga dan maar eens aanwijzen wiens handelen CSQN is voor de schade. De bewijslast ligt uiteraard in beginsel bij de eisende partij.

Het BW biedt in artikel 6:166 een species van het genus onrechtmatige daad: indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zijn hoofdelijk aansprakelijk indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend (lid 1). Als een groep relschoppers bijvoorbeeld een ramkraak pleegt en de boel vernielt dan is min of meer gegeven dat tenminste één van de leden van de groep onrechtmatig schade heeft toegebracht. In dit verband is niet relevant wat de identiteit van de betreffende persoon is en of het onrechtmatig handelen kan worden toegerekend aan die persoon (afgezien van het ‘behoren’ tot de groep natuurlijk). Het groepslid dat tot schadevergoeding wordt aangesproken moet zelf ook onrechtmatig hebben gehandeld, daarvan is sprake doordat een persoon zich niet distantieert van een groep die aan derden onrechtmatig schade toebrengt. Als de betreffende persoon wist of behoorde te begrijpen dat schade zou kunnen ontstaan, dan is het onrechtmatig handelen toerekenbaar. Het onrechtmatig groepsgedrag sec maakt tenslotte ook dat causaliteit gegeven is, CSQN maakt als het ware plaats voor een vorm van ‘psychische causaliteit’: ook al heb je niets gedaan, dan had je maar weg moeten lopen (of liever: überhaupt niet moeten gaan rellen). Iemand is dan gewoon hoofdelijk aansprakelijk.

Art. 6:166 biedt zogezegd soelaas in het geval relschoppers je winkel aandoen. Maar zoals zo vaak in het recht, is het eerst een kwestie van het in kaart brengen en vaststellen van de relevante feiten. Wie was waar en wanneer? Om wat voor feitelijke beschadiging gaat het? Het spreekt voor zich dat schade toegebracht tijdens massale rellen een hele opgave is, laat staan het aanspreken van alle betrokken. Niet in alle gevallen zijn relschoppers duidelijk te identificeren (cameratechnologie verschilt bijv. kennelijk nog steeds per soort winkel, openbare ruimte e.d.). Wanneer de schade is vastgesteld en een der groepsleden in de kraag is gevat, kan er worden geclaimd. Vervolgens moet men wel de weg naar de rechter zien te vinden. Dat kost tijd en geld. Voordat alle aansprakelijkheidsjuristen zijn ingeschakeld, is voor menig insolvabele kleine zelfstandige al het einde zoek (en dreigt in het ergste geval een faillissement). Misschien moeten we voortaan maar ook eens meer gaan nadenken over de preventieve werking van het aansprakelijkheidsrecht, of dreigen met punitive damages om potentiële rellen te voorkomen. Who knows.

Written by: Hannes Brown

Tumultuous elections in Uganda

In Uganda, East Africa, President Museveni (76 years old!) is running for his sixth term of presidency. Museveni is facing about a dozen opponents, but his main rival would be Bobi Wine (38). Bobi Wine, whose real name is Robert Kyagulanyi, is a rapper-turned lawmaker who is contesting for presidency for a couple of years now. However, Museveni is not planning on easily giving away his power. Elections in Uganda are never calm, but this time the country is more roaring than ever. Museveni is getting older age and Bobi Wine wants to be ‘the voice of the common people.’ Many young voters will probably vote for him and he stands a real chance of winning the election. As said, Museveni is definitely not planning on letting this election slip away. The reigning president has been very busy with making it as hard as possible for his antagonists. In his 35-year rule over the country he has never been unseated by one of his rivals. When Museveni first came to power, he tackled other competing parties and only in 2005 democracy was fully restored.

This year’s election will be very interesting. The competition is very high and the chances of Museveni being unseated are realistic. Contesting for presidency in Uganda is not an easy job. Bobi Wine has been beaten, arrested, sprayed with tear gas and charged in court with allegedly flouting coronavirus rules while on the campaign trail. Museveni did not only stand in the way of opponents, he also tried to affect the election on the internet and social media platforms. Facebook announced this week that it had taken down a network of accounts and pages in the East African nation that engaged in what they called “coordinated inauthentic behavior” aimed at manipulating public debate around the election. The company said the network was linked to the Government Citizens Interaction Center, an initiative that is part of Uganda’s Ministry of Information and Communications Technology and National Guidance. This is not the first time this year Facebook would meddle in an election procedure. During the presidential elections between Donald Trump and Joe Biden in the US, Facebook and subsidiary Twitter took down Trumps account multiple times and also added a label to Trumps posts which indicated on misinformation.

As a reaction on Facebooks announcement, President Museveni ordered major telephone providers in Uganda to block all access to Facebook and other social platforms. In a statement he said: “That social channel you are talking about, if it is going to operate in Uganda, it should be used equitably by everybody who has to use it,” Mr. Museveni said. “We cannot tolerate this arrogance of anybody coming to decide for us who is good and who is bad,” he added. This is not the first time Ugandans were shut off from access to the internet during an election. It also happened in 2016, when the government blocked the entire internet during the elections. In 2018, Museveni raised a tax on the use of all social media platforms, which is still active.

This all is an infringement of human rights. People should have access to the open internet and all social platforms, especially during an election. Bobi does most likely agree with this statement, because last week, Mr. Wine filed a complaint with the International Criminal Court accusing Mr. Museveni and other top current and former security officials of sanctioning a wave of violence and human rights violations against citizens, political figures and human rights lawyers.

In this age, social media has an immense influence on governmental procedures like elections. For presidential candidates these platforms are also very important, because it’s an effective way to reach possible voters. On one hand, it’s not a good thing that Facebook meddles in governmental affairs but, on the other hand it is a good thing that fake news and misinformation is being handled by someone. In an ideal situation the government would handle such things, but in the case of Uganda this is no option.

The elections in Uganda are now over. As you may have expected, Museveni won the elections with 58 percent of the votes. However, Wine accused him of fraud. It is not sure what will happen now, but the harassment of Bobi Wine continues. The army has been posted near his house and he is not allowed to leave the house. Wine claimed he was out of food and the army would have been involved in breaking in and searching his office.

Written by: Janco van Kooij

Wordt één van de big four jouw toekomstige werkgever?

De afgelopen jaren is er al meerdere keren over gesproken in het nieuws, en ook dit jaar is het weer zover. De zogenoemde Big Four zijn aanstalten aan het maken om de advocatenmarkt te betreden. Voor rechtenstudenten zoals jij en ik kan dit een enorm verschil gaan maken op de arbeidsmarkt. Deze ontwikkeling zal niet alleen van invloed zijn op de arbeidsmarkt, maar wellicht ook op de concurrentie met de traditionele advocatenkantoren. In Engeland en Duitsland is het een bekend fenomeen dat kantoren zoals Deloitte, EY en KPMG advocaten in dienst hebben. Maar waarom is dat in Nederland eigenlijk niet zo?

Onder de Big Four kunnen Deloitte, EY, KPMG en PwC worden verstaan. Alle vier deze kantoren zijn gespecialiseerd in voornamelijk accountancy, ook wel de adviespraktijk. De reden waarom deze kantoren geïnteresseerd zijn in een juridische tak gevuld met advocaten is omdat er vanuit klanten grote vraag is om al hun kwesties bij een partij neer te leggen. Daarnaast willen klanten tegenwoordig steeds vaker hulp bij de digitalisering van hun juridische afdeling, mogen deze kantoren nou precies degenen zijn die hierin kunnen voorzien. Deze kantoren hebben namelijk de middelen om de volgens vele ‘achterblijvende advocatuur’ mee te laten gaan met de tijd. De Big Four hebben het kapitaal en de interesse om een groot deel van de advocatuur te automatiseren en zo een groot deel van het werk aan computers over te geven waardoor tijd efficiënter wordt benut. Bij traditionele advocatenkantoren gaat deze ontwikkeling wat langzamer, waardoor de Big Four hier wel eens een uitblinker in zouden kunnen worden. Innovatie en technologie zijn waar de Big Four in kunnen voorzien.

Het is natuurlijk niet voor niets dat de Big Four niet al eerder begonnen zijn met het in dienst nemen van advocaten. De Orde van de Advocaten heeft voor deze ontwikkeling lang dwars gelegen. Vanuit de Orde van de Advocaten is namelijk een verbod opgelegd om als adviespraktijk advocaten in dienst te nemen. In artikel 5.9 van de Verordening van de Advocaten is uitgedrukt wat de toegestane dienstverbanden zijn voor een advocaat om de praktijk uit te oefenen. .

‘Een advocaat kan uitsluitend de praktijk uitoefenen in dienst van:

a.een advocaat;

b.een beoefenaar van een toegelaten vrij beroep;

c.een samenwerkingsverband, zo lang is voldaan aan artikel 5.4 en artikel 5.6;

d.een praktijkrechtspersoon;

e.een verzekeraar die uitsluitend de branche rechtsbijstandsverzekering uitoefent en als zodanig voldoet aan de in de Wet op het financieel toezicht gestelde voorwaarden of een juridisch zelfstandig schaderegelingkantoor als bedoeld in artikel 4:65, eerste lid, onderdeel b, van die wet, is of een daarmee vergelijkbare instelling, zo lang is voldaan aan artikel 5.11 tot en met artikel 5.13, of paragraaf 5.5.2;

f.een organisatie met een ideële doelstelling, zolang deze voldoet aan artikel 5.10; of

g.een andere werkgever, zolang de advocaat binnen dat dienstverband uitsluitend optreedt voor die werkgever of in de groep met de werkgever verbonden rechtspersonen, en de werkzaamheden in hoofdzaak zijn gericht op de uitoefening van de rechtspraktijk.’

De opsomming in dit artikel is limitatief en biedt hierdoor geen ruimte voor kantoren zoals de Big Four om advocaten in dienst te nemen. Ook is het niet mogelijk om een niet-advocaat in een bestuur van een advocatenkantoor te hebben. De gedachte achter het verbod voor de Big Four om advocaten in dienst te nemen ziet op het waarborgen van de onafhankelijkheid. De Nederlandse Orde van Advocaten vreest het overzicht te verliezen indien zij dit verbod opheffen. Met de mogelijkheid voor de Big Four de advocatenmarkt te betreden zal er een enorme verschuiving ontstaan in niet alleen de manier van werken, maar ook in de samenstelling van de teams waar advocaten in werken. De Big Four kunnen met advocaten in dienst de klant een volledig gedekte dienst aanbieden. De verwachting is ook dat de advocaten niet samen gaan werken, maar dat teams worden samengesteld op onderwerp waarbinnen wordt samengewerkt met specialisten uit verschillende beroepsgroepen. Wat deze eventuele verandering gaat uitmaken voor de arbeidsmarkt moet nog blijken.

Momenteel vormen de Big Four met hun juridische afdelingen nog geen concurrentie voor advocatenkantoren. Zij kunnen immers nog geen gebruik maken van de expertise van een advocaat, die de advocatenkantoren natuurlijk wel bezitten. Zij kunnen nu alleen gebruik maken van een juridische tak met bedrijfsjuristen. Zeker is wel dat er voor commerciële advocaten een grote deur opengaat. Daarnaast voorspel ik dat de juridische tak in zijn geheel wordt uitgebreid, wat ook extra ruimte biedt voor bedrijfsjuristen. Echter is de vraag of de Big Four ooit echte concurrentie voor de advocatenkantoren zullen vormen. Ik ga ervan uit dat cliënten bewust kiezen voor de advocaten van de Big Four, danwel van advocaten van een gerenommeerd advocatenkantoor.

In de afgelopen jaren is al eerder gesproken over het opheffen van het verbod voor de Big Four om advocaten in dienst te nemen, maar lang was de kans dat dit gebeurt nihil. Toch zijn de Big Four zich in de laatste jaren steeds meer gaan voorbereiden op de mogelijkheid dat zij toch advocaten in dienst nemen. Zo zijn zij voorzichtig begonnen met het in dienst nemen van advocaten als bestuurders van het kantoor. Hiermee proberen de Big Four zich klaar te stomen en indirect druk uit te oefenen op de Orde van de Advocaten om de beroepsregels te wijzigen. Indien de orde erin mee gaat het verbod op te heffen, zijn de Big Four er klaar voor.

Of, en zo ja, wanneer de Nederlandse Orde van de Advocaten de beroepsregels die ervoor zorgen dat de Big Four geen advocaten in dienst mogen hebben gaat opheffen is iets wat het aankomende jaar veel in het nieuws gaat zijn. Wellicht heeft de Orde meer tijd nodig, maar de ontwikkeling staat niet langer meer stil. De toetredeing van de Big Four op de advocatenmarkt zorgt mogelijk voor een snellere vereniging van techologie en recht, iets waar de advocatuur volgens vele al langere tijd aan toe is.

Written by: Anne-Solaine Kooijman

Commercieel belang als gerechtvaardigd belang?

De Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) heeft een tik op de vingers gekregen van de rechtbank. De AP stond in een zaak tegenover VoetbalTV. De AP had aan VoetbalTV een boete opgelegd ten hoogte van 575.000 euro wegens het schenden van de privacy. VoetbalTV is een joint venture tussen Talpa en de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond. Het bedrijf heeft sinds de oprichting zo’n 150 amateurclubs uitgerust met camera’s die volautomatisch wedstrijden filmden. Deze opnames konden achteraf bekeken worden.

Al sinds de oprichting heeft de AP haar pijlen op VoetbalTV gericht. Belangrijk is ook dat er opnames werden gemaakt van jongeren vanaf 13 jaar. Dit is een kwetsbare groep wat betreft privacy. De vraag in deze uitspraak was of VoetbalTV een gerechtvaardigd belang had voor de verwerking van persoonsgegevens. De AP meende in haar besluit van niet omdat het te gelde maken van persoonsgegevens nooit een gerechtvaardigd belang zou kunnen opleveren. De rechtbank oordeelde echter dat de AP deze grondslag voor verwerking niet categorisch mocht uitsluiten en heeft een streep gezet door het boetebesluit van de AP. Er kan best sprake zijn van een gerechtvaardigd belang als er geld wordt verdiend met de verwerking van persoonsgegevens. Uiteraard moet dat belang dan ook worden afgewogen tegen het privacybelang van de betrokkenen, waaronder in dit geval ook kinderen. Dit betekent voor bedrijven dat zij niet altijd de toestemming van betrokkenen dienen te vragen. Het is namelijk goed mogelijk dat een commercieel belang nu voldoende is om persoonsgegevens te verzamelen.

Dit betekent echter niet dat elk commercieel belang voldoende is. Zoals gezegd dient dit te worden afgewogen tegen de mogelijke invloed op de privacy van diegenen waarvan de persoonsgegevens verzameld worden. Het kan immers zo zijn dat er een zodanige inbreuk wordt gedaan op de privacy van betrokkenen, dat het commerciële belang van een bedrijf dit niet kan rechtvaardigen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan medische informatie over een persoon, wat door de AP als erg kostbaar wordt geacht. Wanneer deze informatie verzameld wordt omwille van het maken van winst, zal dat uiteraard niet voldoende zijn om het verzamelen te rechtvaardigen. Wanneer het gaat om kleinere privacyoverwegingen, zoals het geval was bij VoetbalTV, zal dit belang eerder als gewichtig aangemerkt kunnen worden. In het geval van VoetbalTV werd er namelijk alleen gefilmd tijdens een voetbalwedstrijd. In principe zijn er dan weinig privacygevoelige elementen die geregistreerd worden. Er zijn in de opnamen hooguit voetballende personen te zien. Daarbij heeft het voor de betrokkenen ook een voordeel dat zij gefilmd worden. Zij kunnen namelijk hun eigen wedstrijd terugkijken. Dat is iets wat niet alleen leuk is, maar ook nuttig. Door de wedstrijden terug te kijken, kunnen de voetballers hun eigen spel analyseren en zo beter worden.

In die zin is het dus logisch dat de rechtbank in deze casus de AP heeft teruggefloten. Het is namelijk te kort door de bocht om elk commercieel belang als een niet-geldig belang aan te merken. Of VoetbalTV in het specifiek nog iets heeft aan de uitspraak is maar de vraag. Het bedrijf is ondertussen failliet verklaard.

Writtend by: Janco van Kooij

'De vierde macht': obscuur of bruikbaar begrip?

De media worden weleens ‘de vierde macht’ genoemd. Traditioneel wordt een onderscheid gemaakt tussen de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht (‘de drie machten’). Wat is dan de taak van de vierde macht ten opzichte van de drie andere machten? De vierde macht is natuurlijk geen onderdeel van de trias politica, of ‘scheiding’ of ‘spreiding der machten’. De term duikt niettemin regelmatig op in de bestuurskunde en de politicologie. In deze disciplines wordt met de term vierde macht vaak gedoeld op een grootschalig ambtenapparaat dat veel invloed uitoefent op de gang van zaken in ons land. Toch wordt met de term vaak genoeg verwezen naar de media (of de pers). Van de media wordt weleens gezegd dat zij een verantwoordelijkheid hebben om de burger te informeren. Media vervullen inderdaad belangrijke functies in de samenleving (een informerende, controlerende functie e.d.). Het moge duidelijk zijn dat een democratie niet goed kan functioneren zonder media die overeenkomstig voornoemde functies opereren.

Het voorgaande kan worden geïllustreerd door te kijken naar de rol van de journalistiek in de samenleving. Neem nu de persconferenties in het kader van de coronamaatregelen. De verantwoordelijke ministers kondigen tijdens deze persconferenties de nieuwe maatregelen aan en journalisten krijgen de mogelijkheid om vragen te stelen over die maatregelen. Veelgehoorde vragen zijn: ‘welke impact zullen de nieuwe maatregelen hebben op ons dagelijks leven?’, en: ‘waarom komt u nu met deze maatregelen?’. De journalist probeert dan inzicht te krijgen in de overwegingen die ten grondslag liggen aan bepaald overheidsbeleid en in de maatregelingen die zullen worden genomen om dat overheidsbeleid te handhaven. Bewindslieden krijgen van journalisten vaak ook vragen die gaan over dat wat is geweest. Niet de vraag naar de te verwachten gevolgen van het nieuwe overheidsbeleid, maar de vraag naar de resultaten van het voorheen geldende (reeds vervallen) overheidsbeleid staat dan centraal. Veelgehoorde vragen zijn dan: ‘heeft de regering te laat ingegrepen’, en: ‘hebben de maatregelen wel iets opgeleverd?’ De journalist ziet de persconferentie ook als een uitgelezen kans om de verantwoordelijke ministers eens stevig aan de tand te voelen over dat wat is geweest en niet zozeer over dat wat komen gaat.

Is vragen naar dat wat is geweest wel wenselijk? De samenleving heeft in tijden van crisis baat bij een overheid die vol goede moed vooruit kijkt en pragmatisch handelt. De ontwikkelingen rondom het coronavirus vereisen steeds nieuwe maatregelen en vaak ook een andersoortige aanpak. Het is van belang dat men niet te lang stil blijft staan bij dat wat is geweest. Dat wat is geweest is immers precies dat: geweest. En dus niet langer beïnvloedbaar. Vanuit het oogpunt van democratische controle is enige reflectie op reeds vervallen overheidsbeleid echter zeker ook noodzakelijk. Democratische mandaathebbers moeten hun taak naar behoren uitoefenen. Fouten maken is menselijk, politici zijn geen robots. Het is echter een kwalijke zaak wanneer democratische mandaathebbers op structurele basis fouten maken en met grove veronachtzaming van de belangen van de burger politieke beslissingen nemen. Het is dus van groot belang dat journalisten kritische vragen blijven stellen, ook al gaan die vragen over rechtspolitieke keuzes uit het verleden en hebben ze betrekking op reeds vervallen overheidsbeleid. Het begrip ‘de vierde macht’ is in die zin geen obscuur begrip, maar juist een bruikbaar begrip dat recht doet aan de werkelijkheid. Laat de vierde macht dan ook de vierde macht zijn.

Written by: Hannes Brown

De perikelen rond de inzet van artificiele intelligentie in de strijd tegen discriminatie

Veel – zo niet de meeste – Nederlanders zullen het uitgangspunt onderschrijven dat discriminatie moreel verwerpelijk is. Discrimineren betekent letterlijk ‘het maken van onderscheid’. Iemand die discrimineert, maakt een onderscheid tussen elementen, objecten of eigenschappen. De term discriminatie heeft in de juridische context een specifieke betekenis. Iemand die discrimineert maakt een ongerechtvaardigd onderscheid met als gevolg dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Discriminatie is o.a. verboden op grond van artikel 1 van de Grondwet. In de praktijk wordt het verbod op discriminatie in Nederland niet in alle gevallen nageleefd. In veel gevallen wordt het in artikel 1 van de Grondwet neergelegde gelijkheidsbeginsel geschonden.

Discriminatie lijkt een permanent sociaal verschijnsel te zijn. Men is op basis van morele en juridische gronden niettemin verplicht om de gevallen van discriminatie zoveel mogelijk te beperken. Er moet–zij het binnen redelijke grenzen – worden gezocht naar methoden waarmee discriminatie effectief kan worden bestreden. Vandaag de dag beschikt men over nieuwe methoden om discriminatie te bestrijden. In de afgelopen jaren heeft de ontwikkeling van artificiële intelligentie (AI) een sneltreinvaart doorgemaakt, AI kan worden ingezet in de strijd tegen discriminatie.

AI kan, met het oog op de bestrijding van discriminatie, worden ingezet tijdens het maken van beleid. AI kan beleidsanalyses, zogenaamde ‘risk assessments’ en effectenanalyses uitvoeren. Het is de vraag hoe de inzet van AI precies verschilt van de inzet van het gebruikelijke denkwerk van vlees en bloed. Het spreekt voor zich dat men hoopt op betere resultaten. Men wil beslist niet dat de inzet van AI leidt tot een toename, in plaats van een afname van het aantal gevallen van discriminatie. Dat zou de omgekeerde wereld zijn.

Het kwaad is echter al geschied. Uit onderzoek blijkt dat AI in staat is tot discriminatie. In de gezondheidszorg wordt bijvoorbeeld regelmatig door AI-algoritmen gediscrimineerd. In het gevangeniswezen worden gedetineerden, bij de beoordeling van recidivegevaar, regelmatig gediscrimineerd door AI-algoritmen. In het bedrijfsleven worden sollicitanten regelmatig gediscrimineerd door AI-algoritmen. Zelfs AI-algoritmen in zelfrijdende auto’s blijken in staat te zijn tot discriminatie.

Het feit dat de inzet van AI kan leiden tot een toename van het aantal gevallen van discriminatie, roept een aantal fundamentele vragen op. Zijn wij wel in staat om AI te ontwerpen die volledig doet wat wij willen? Is AI feilbaar, in die zin dat AI (nog) enige gelijkenis vertoont met de mens? Het is belangrijk dat antwoorden op dergelijke vragen worden gevonden. Het is in ieder geval van belang dat men blijft zoeken naar antwoorden, want daadkracht is op z’n plaats. Wij zijn tot deze zoektocht verplicht als wij voor een samenleving staan waarin de gelijkwaardigheid van elk individu het uitgangspunt is, in een dergelijke samenleving is geen plaats voor discriminatie en alle gevolgen van dien.

Written by: Hannes Brown

Foto's van je kind op social media, ga jij eraan meedoen?

Het gebruik van social media is een groot onderdeel van onze maatschappij. Jong en oud, iedereen is er dagelijks mee bezig en is steeds meer geneigd hun dagelijks leven te delen met de buitenwereld. Tegenwoordig heeft bijna iedereen zijn telefoon op zak, waardoor veel hedendaagse en onschuldige momenten gemakkelijk worden vastgelegd met de camera. Voor ouders is het mede daardoor erg verleidelijk om veel foto’s van hun kind te maken en vervolgens met hun netwerk te delen. Maar wat voor gevolgen zitten hier eigenlijk aan?

Ouders moeten op grond van het Kinderrechtenverdrag het belang van het kind altijd voorop zetten. Zij zijn daarbij verplicht hun kinderen adequaat te beschermen tegen de buitenwereld. In het geval ouders foto’s van hun kinderen op social media plaatsen, kan men zich daarbij afvragen of dit in het belang van het kind is of puur ten behoeve van het eigen belang. Kinderen zijn vaak nog niet in staat invloed uit te oefenen op het plaatsen van foto’s door hun ouders. Zij zijn vaak nog te jong om te begrijpen wat de gevolgen kunnen zijn en te jong om toestemming te kunnen geven. Het is dan ook het meest voor de hand liggend om te oordelen dat het plaatsen van foto’s van het kind niet in het belang van het kind is.

Naast het feit dat een kind geen toestemming kan geven en het belang van het kind vaak niet voorop staat bij het plaatsen van foto’s door ouders, zitten hier zelfs gevaren aan. De techniek achter verscheidene social media-platforms - waar de foto’s in de meeste gevallen worden gedeeld - zijn steeds meer in staat foto’s van personen te verzamelen en zo een profiel te creëren. Gezichten kunnen worden gescand, herkend en aan elkaar worden gekoppeld. De foto’s zullen daardoor vaak nooit meer van het web verdwijnen en een kind voor altijd kunnen achtervolgen. Dit kan grotendeels onschuldig zijn, totdat de foto in verkeerde handen valt. De foto’s kunnen er bijvoorbeeld toe leidden dat een kind gepest wordt. Bovendien kunnen de foto’s zelfs terecht komen in de pedofielenindustrie. Dit is zeer schadelijk en onwenselijk voor zowel de ouders als het kind. De gevolgen worden vaak niet in overweging genomen bij het plaatsen van een ‘schattige foto van ons pasgeboren kindje’.

In de media is het al vaker voorgevallen dat het delen van foto’s van een kind op social media opeens anders uitvalt dan vooraf was bedoeld. Denk bijvoorbeeld aan het zoontje van André Hazes jr. Nooit eerder werd het gezicht van zijn zoontje afgeschermd op social media. Toen zijn zoontje opeens ongevraagd de cover van het roddelblad Privé sierde, veranderde de sfeer. Dit was natuurlijk alles behalve de bedoeling en al helemaal niet in het belang van het kind. Sindsdien hebben Hazes en zijn partner besloten het gezicht van hun zoontje op social media af te schermen, net zoals meerdere BN’ers dat doen. Zo wordt een kind later niet geconfronteerd met ‘gênante’ foto’s van toen hij of zij klein was en wordt het kind beschermd tegen onverwacht misbruik van de foto. Maar hoe kan het afschermen van een kind op foto’s helpen tegen misbruik van de foto’s door derden?

Ouders kunnen verschillende stappen ondernemen wanneer een buitenstaander zonder toestemming, en dus ongewenst een foto van het kind plaatst. De eerste stap betreft een verzoek om de foto te verwijderen aan degene die de foto heeft geplaatst. Wanneer geen gevolg wordt gegeven aan dit verzoek, kan een sommatiebrief worden opgesteld en verzonden aan deze persoon. Indien deze stap nog steeds het desgewenste gevolg niet teweeg brengt - namelijk het verwijderen van de foto - kan het platform waarop de foto is geplaatst worden benaderd. Als laatste stap kan men naar de rechter stappen, waarbij de rechter bevoegd is een dwangsom op te leggen aan degene die de foto heeft gepost.

Bij de beoordeling door de rechter wordt de context waarin de foto is geplaatst en de voorgeschiedenis in overweging genomen. In beginsel staat de rechter aan de kant van de ouder, om het kind te beschermen. Wanneer de ouders zelf altijd openlijk foto’s plaatsen van hun kind, zoals André Hazes toentertijd deed, kan het zijn dat de rechter een ander standpunt inneemt. Ouders moeten zelf zorg dragen voor de indruk die wordt afgegeven aan de buitenwereld. Duidelijk moet worden gemaakt dat ouders het niet wenselijk achtten dat een foto van hun kind wordt verspreid ofwel door anderen op eigen initiatief geplaatst. Dit maken ouders onder andere duidelijk door hun kinderen op foto’s en filmpjes die worden gebruikt op social media af te schermen, dan wel onherkenbaar te maken. Wanneer je als BN’er zijnde er voor kiest je kinderen onherkenbaar te maken op foto’s geef je ook aan dat bijvoorbeeld paparazzi geen foto’s mogen maken die gebruikt worden in roddelbladen en andere magazines.

Ongeacht dat het natuurlijk leuk is om foto’s van een kind te delen met de buitenwereld, kleven er gevaren aan die niet moeten worden onderschat. Het belang van het kind moet altijd vooropstaan en in acht worden genomen bij keuzes die voor een kind worden gemaakt. Het consequent afschermen van kinderen beschermt een kind tegen eventueel misbruik van de foto’s en zorgt als bijkomstigheid voor een sterkere positie bij de rechter in het geval het mis gaat. Dit geldt niet alleen voor BN’ers maar voor ouders in het algemeen.

written by: Anne-Solaine Kooijman

het nieuwe digitale wapen tegen het coronavirus

Sinds twee weken is de nieuwe corona-app, de CoronaMelder, te downloaden. Een tijd lang was dit een zeer gevoelig onderwerp, waardoor de lancering van de app nog even op zich liet wachten. Nu alle zorgen omtrent privacy zijn weggenomen, is de app eindelijk te downloaden in de App Store. Zijn deze zorgen echt weggenomen of zijn onze kostbare persoonsgegevens straks in handen van de overheid of misschien wel private organisaties?

Op de website van Rijksoverheid valt te lezen dat zij zo weinig mogelijk persoonsgegevens van gebruikers verzamelt. De app weet niet wie de persoon is en waar hij/zij zich bevindt. Dit doet de app door gebruik te maken van willekeurige codes. Ieder persoon, die gebruikmaakt van de CoronaMelder app, heeft dus een eigen, willekeurige code. Deze verandert dagelijks. Wanneer twee telefoons dicht genoeg bij elkaar in de buurt zijn, wisselt de app de twee codes uit. CoronaMelder onthoudt dus alleen de code van de persoon waarbij je dicht in de buurt bent geweest, zonder daarbij te onthouden wie deze persoon was of waar deze ontmoeting plaats heeft gevonden. Deze communicatie tussen twee mobiele telefoons verloopt via Bluetooth, hierbij worden dus ook geen persoonsgegevens uitgewisseld.

So far, so good dus. Tot op heden zijn er geen dingen die de wenkbrauwen van een jurist doen fronzen. Desondanks zijn er, wanneer er wat dieper op de nieuwe app wordt ingegaan, toch elementen die wellicht wat vreemd over kunnen komen. Op de website van Rijksoverheid wordt terloops gemeld dat er, bij de ontwikkeling van de app, gebruik is gemaakt van kennis van externe experts. Na wat zoekwerk, komt men erachter dat deze externe experts, experts zijn van Apple en Google. Google, en in mindere mate Apple, verwerven inkomsten door dataverwerking, ofwel data-processing. Er wordt een hoop informatie over een persoon verzameld en deze wordt later ingezet om adverteerders te trekken, die op deze manier zeer gerichte advertenties kunnen aanbieden aan de gebruikers van (bijvoorbeeld) Google. Het feit dat experts van Google en Apple zich hebben ingezet voor de ontwikkeling van de CoronaMelder is uiteraard hartstikke mooi, maar nu is de vraag of zij hier zelf geen voordeel bij hebben gehad. De 5G-complotdenkers hebben deze conclusie vast en zeker al getrokken, maar dat is wellicht wat te voorbarig.

Het is namelijk zeer logisch dat de overheid de expertise van de Big Tech-bedrijven heeft ingeschakeld. Deze private bedrijven hebben namelijk veel meer geld om te investeren in research & development, waardoor zij over meer kennis en materialen beschikken. Het is voor de overheid dus interessant om hiervan gebruik te maken, zeker wanneer zij zelf deze kennis niet hebben. Anders liet de ontwikkeling van de app namelijk nog langer op zich wachten, waar juist haast geboden was. Het is echter wel frappant dat de technologie van de app bepaald is door twee technologische reuzen. Door middel van de app is het namelijk nog makkelijker om mensen te waarschuwen voor een mogelijke besmetting met het nieuwe coronavirus. Dit gebeurt nu nog door middel van een bron- en contactonderzoek van de GGD. Dit is erg veel werk, zeker met het hoge aantal besmettingen wat zelfs elke dag verder stijgt. In een ideale wereld heeft iedereen de app gedownload en wordt via deze weg een mogelijke besmetting bekendgemaakt aan de desbetreffende persoon.

Het verplichten van het downloaden van de CoronaMelder is echter ten strengste verboden. Dit geldt zowel voor de overheid als voor private partijen zoals werkgevers. De app verplicht maken voor burgers of werknemers is namelijk erg onwenselijk. Dit gaat immers in tegen onze grondrechten. Het gebruik van de app is dus geheel vrijwillig. Desalniettemin werkt de app het beste, wanneer er veel gebruikers zijn.

Written by: Janco van Kooij

JOuw anderhalve meter is de mijne niet

Stijging zet door’, aldus een persbericht van het RIVM van 6 oktober 2020. Het lijkt erop dat wij niet spoedig van het coronavirus af zullen zijn. Het handhaven van anderhalve meter afstand is in de praktijk voor velen een hele opgave, overdag – wanneer we naar de universiteit moeten of naar ons werk –gaat dat makkelijker, maar wanneer we ’s avonds met onze medestudenten of collega’s besluiten om af te spreken zoals ‘toen het nog normaal was’, wordt het ineens een ander verhaal. Sommigen menen zelfs weg te kunnen komen met een feestje ‘zoals vanouds’. Dat gaat echter vaak mis. Immers, als de wijn is in de man, is de wijsheid in de kan en blijkt het handelen overeenkomstig principes lastiger dan gedacht.

Ferdinand Grapperhaus, onze minister van Justitie en Veiligheid, is ook de fout ingegaan, nu op beelden te zien is dat ‘Ferd’ op zijn eigen bruiloft geen anderhalve meter afstand aanhoudt te midden van de genodigden. Ik suggereer hier overigens niet dat Grapperhaus te diep in het glaasje zou hebben gekeken, dat u dat even weet. Wie op sociale media rondstruint komt met enige regelmaat reacties tegen waarin Grapperhaus van alles verweten wordt, want: ‘wat dénkt hij wel niet?’ en ‘een minister die zijn éigen regels aan zijn laars lapt’. Het valt niet mee om een publieke figuur te zijn, want voor je het weet ligt je imago aan diggelen.

De kwestie-Grapperhaus lijkt ook een aanleiding te zijn geweest voor een felle politieke discussie over thema’s als rechtsongelijkheid en de geloofwaardigheid van wet- en regelgeving. PVV-leider Geert Wilders schrijft op zijn twitter: ‘’is dit de minister van justitie of van klassenjustitie?’’. Het Openbaar Ministerie bracht onlangs in een persbericht naar buiten dat Grapperhaus alsnog een boete van 390 euro zal moeten betalen en dat Grapperhaus ook zelf heeft aangegeven de boete te zullen betalen (de boete zal inmiddels al wel zijn betaald). Het Openbaar Ministerie vindt ‘’dat met het opleggen van de geldboete de geloofwaardigheid van de handhaving van de coronaregels, waarvan de minister van Justitie en Veiligheid het boegbeeld is, gediend is’’. Minister-president Mark Rutte liet tijdens de persconferentie na de ministerraad van 18 september 2020 weten dat er in dit verband van klassenjustitie geen sprake zou zijn: ‘’(…) dat zij (het OM, red.) toch die boete opleggen. Dat lijkt me dan het bewijs dat er in ieder geval geen klassenjustitie is.’’

Verder is de kwestie-Grapperhaus bovendien een goed voorbeeld van het feit dat in toenemende mate ook het ‘persoonlijk gezag’ van politici een rol is gaan spelen. Een minister ontleent institutioneel gezag aan het feit dat hij of zij is benoemd als minister, een minister is immers middels democratische procedures kennelijk aangemerkt als de geschikte persoon om publiekrechtelijke bevoegdheden uit te oefenen op rijksniveau. Dit ‘institutionele gezag’ is essentieel voor een behoorlijke taakuitoefening door bewindslieden, voor wie immers draagvlak moet bestaan in het parlement. Wanneer een minister – al dan niet in de privésfeer – misstanden begaat, dan doet dit veel stof opwaaien in de politiek en in de samenleving in het algemeen. Veel mensen nemen een minister dan niet meer serieus of hun wantrouwen in de politiek wordt – al dan niet onterecht – alleen nog maar groter.

Het lijkt erop dat het laatste woord over de kwestie-Grapperhaus nog niet is gezegd. Dit neemt niet weg dat het zinvol is om te onderzoeken of rechtsongelijkheid, ongeloofwaardigheid van wet- en regelgeving, klassenjustitie en tanend gezag van politici reële verschijnselen zijn in Nederland en of we ons zorgen zouden moeten gaan maken. Uiteindelijk kunnen dergelijke verschijnselen leiden tot een afname van het vertrouwen van de burger in de overheid, bovendien kunnen ze blijk geven van een disfunctionele overheid. Een overheid die structureel niet naar behoren functioneert moet weer op het goede spoor worden gebracht. Wanneer de overheid echter niet langer naar behoren functioneert en daar kennelijk geen verandering in komt, dan betekent dit wellicht dat de huidige instrumenten voor democratische controle feitelijk tekortschieten. Wij moeten aldus op onze hoede zijn wanneer we burgers horen zeggen: ‘jouw anderhalve meter is de mijne niet’, dit kan namelijk een teken zijn dat er werk aan de winkel is.

Written by: Hannes Brown

Gerechtelijke hervormingen in Polen

De afgelopen jaren heeft de Poolse regering steeds verdergaand haar invloed uitgeoefend op de Poolse rechtbanken. In 2015 besloot de Poolse regering namelijk dat het functioneren van de rechterlijke macht moest worden aangepakt. Dit heeft ertoe geleid dat de onafhankelijkheid van de rechtbanken in het geding is gekomen. De rechterlijke macht wordt meer onder de uitvoerende macht geplaatst en gaat zelfs zo ver dat de Internationale Rechtshulpkamer van Amsterdam recent heeft geoordeeld dat de Poolse gerechten niet meer onafhankelijk kunnen zijn ten opzichte van de Poolse regering en het Poolse parlement.

De politieke inmenging bestaat onder andere uit het benoemen en overplaatsen van (vice-) presidenten bij rechterlijke instanties. Voor de minister van Justitie is het mogelijk om voorzitters en ondervoorzitters te ontslaan en te benoemen. Daarnaast is de pensioenleeftijd voor rechters van het Hooggerechtshof verlaagd van 70 naar 65 jarige leeftijd. Dit is van grote invloed omdat een groot deel van de rechters hierdoor vervangen konden worden. Er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake meer is van een systeem van ‘checks and balances’. De hervormingen hebben ervoor gezorgd dat het nu mogelijk is voor de regering om uitkomsten van rechtszaken te beïnvloeden.

Poolse rechters proberen zich te verzetten tegen het beleid van de regering, het wordt hen echter niet gemakkelijk gemaakt. Rechters komen onder andere in actie door het houden van demonstraties, het gebruik maken vande media en het informeren van het Poolse publiek. In 2019 is er een wet aangenomen door het Poolse parlement waardoor het mogelijk is om rechters te ontslaan in het geval zij kritiek hebben op de juridische hervormingen. Het enige wat de rechters nu nog kunnen doen is het proces vertragen, met voor henzelf alle risico’s vandien.

Ook vanuit de Europese Unie zijn er ernstige zorgen en bezwaren. Er zijn onderhand al vijf procedures tegen Polen ingezet. De Europese Unie kan in deze situaties boetes opleggen, maar ook bestaat er de mogelijkheid dat Polen het stemrecht in de Europese Unie verliest. Dit is echter niet gemakkelijk, hiervoor moet namelijk unanimiteit onder de lidstaten bestaan. De CJEU (Court of Justice of the European Union) heeft tegen kunnen houden dat het door de Poolse regering geïntroduceerde systeem ten behoeve van de ‘disciplinering van rechters’, doorgang zou vinden. Dit systeem zou ervoor zorgen dat de veroordeling van een rechter mogelijk is vanwege de inhoud van zijn of haar vonnis. Hier werd ook wel over gesproken als ‘glimmer of hope’.

Alle bovenstaande ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat de Internationale Rechtshulpkamer van Amsterdam prejudiciële vragen aan het hof van Justitie heeft gesteld over de uitleg van het Europese recht in deze omstandigheden. De volgende vraag is relevant geworden: ‘`Moet de overlevering van een verdachte aan een lidstaat van de EU worden geweigerd wanneer de rechtbanken van een lidstaat niet meer onafhankelijk kunnen functioneren?’

De hervormingen in Polen zijn zeer ingrijpend en van invloed op het alledaagse leven. Belangrijke rechterlijke posities zijn bezet door loyale rechters. De overgrote meerderheid van de Poolse rechters steunt het beleid van de regering niet, maar verzetten kan niet zomaar. Verschillende pogingen vanuit de Europese Unie om de onafhankelijkheid van de rechtbanken terug te brengen, laten bij de Poolse regering geen indruk achter. Het wordt spannend of de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht kan worden hersteld.

Written by: Anne-Solaine Kooijman

Kopzorgen in Hongkong

Hongkong oefent als één van de belangrijkste financieel-economische centra van de wereld enorme invloed uit op de wereldhandel. De afgelopen jaren vestigt Hongkong vooral de aandacht op zich, door de massale betogingen van miljoenen demonstranten die de straat op gaan tegen de toenemende invloed van China. Om deze protesten te kunnen duiden, is inzicht in de bijzondere geschiedenis van Hongkong vereist. Met de inwerkingtreding van een nieuwe omstreden veiligheidswet is begin juli 2020 een belangrijk nieuw hoofdstuk in deze geschiedenis ingeluid.

Begin 19e eeuw voerden de Britten een lucratieve handel in thee, zijde en opium met het toenmalige Chinese keizerrijk. De Britten hadden echter geen vertrouwen in het Chinese rechtssysteem en zochten daarom naar een grondgebied aan de voet van China waar ze handel konden voeren onder het veilige Britse rechtssysteem. In 1842 behaalde de Britse vloot een klinkende overwinning op hun Chinese collega’s, als gevolg waarvan het eiland Hongkong in het verdrag van Nanjing aan de Britten werd overgedragen.

In rap tempo ontwikkelde Hongkong zich onder de toonaangevende Britse vlag tot een onmiskenbaar belangrijk handelspunt en al snel bleek het eiland Hongkong te klein. Onder druk van de Britten droeg China in 1860 het schiereiland Kownoon af en werd in 1898 de ‘New Territories’ voor 99 jaar verpacht aan de Britten. De ‘New Territories’ was door zijn grote oppervlakte met veel vruchtbare grond belangrijk voor de uitbreiding van Hongkong.

De 99-jarige verpachting van de ‘New Territories’ werd in stand gehouden, maar in 1997 kwam het moment dat de verpachting zou aflopen en het gebied terug in Chinese handen zou vallen. China was onder geen beding bereid de pachtovereenkomst te verlengen. Dit gebied was echter dusdanig belangrijk voor Hongkong dat een compromis nodig was om de leefbaarheid in de regio te waarborgen. Zodoende gingen de Britten met China om de onderhandelingstafel en werd er een bijzonder statuut gecreëerd.

Afgesproken werd dat het gehele grondgebied Hongkong weer werd overgedragen aan China, onder de voorwaarde dat Hongkong gedurende 50 jaar zijn autonome status zou behouden. Hongkong is vanaf dat moment een ‘speciale administratieve zone’ met een eigen mini-grondwet waarin vrijheid van meningsuiting, vrijheid van pers en het kapitalistische economische systeem hoog in het vaandel staat. Deze afspraak was voor het westen van belang omdat er veel wantrouwen heerste jegens het communistische Chinese regime en de economische belangen groot zijn.

Deze situatie heeft gezorgd voor duidelijke verschillen tussen Hongkong en China. In een recente studie van het Hong Kong Public Opinion Research Institute werd duidelijk dat bijna 80% van de inwoners van Hongkong zichzelf als Hongkonger identificeert en niet als Chinees. Maar de bezorgdheid bij de Hongkongers neemt toe. Beijing zet de autonomie in de regio namelijk al jaren behoorlijk onder druk. Dit heeft geleid tot een reeks van protesten.

De eerste noemenswaardige protesten waren in 2003, toen een half miljoen Hongkongers de straat op gingen omdat te protesteren tegen de nieuwe wetgeving uit Beijing, waarin subversie tegen de volksrepubliek strafbaar gesteld werd. In 2014 was het opnieuw raak toen Beijing zich begon te bemoeien met de verkiezingen in Hongkong door een bepaling in te stellen die inhield dat de bestuurder van Hongkong niet meer rechtstreeks verkozen mocht worden. Dit leidde tot anti-Chinese protesten die maandenlang het zakencentrum platlegden. In 2016 was er grote oproer toen kritische Hongkongse boekverkopers door de Chinese autoriteiten naar het vasteland ontvoerd werden en in 2019 waren er grote protesten tegen een voorgenomen uitleveringswet, die ervoor zorgde dat Hongkongse verdachten naar het Chinese vasteland konden worden uitgeleverd. Deze laatste wet is overigens uiteindelijk niet aangenomen.

Eind juni 2020, terwijl China en Hongkong nog druk bezig zijn met de nasleep van de eerste coronagolf, wordt er in Beijing uit het niets een wet aangenomen die de inwoners van Hongkong doet huiveren. Er wordt aangekondigd dat er in Hongkong een nieuwe nationale veiligheidswet gaat gelden. Deze wet is in tien dagen tot stand gekomen en de wettekst is geheimgehouden tot het moment van inwerkingtreding. De veiligheidswet maakt onder andere ‘afscheiding, ondermijning, terrorisme en samenspanning met buitenlandse krachten’ strafbaar. Al deze begrippen zijn ontzettend breed gedefinieerd en op overtreding van de wet staan straffen van tien jaar tot zelfs levenslang.

Naast de bovenstaande strafbare feiten wordt er door de wet een agentschap opgericht die in bepaalde gevallen jurisdictie krijgt. Het is hoogst onduidelijk wanneer een dusdanig geval zich voordoet. Dit agentschap staat onder leiding van de Chinese overheid en verdachten die door dit agentschap worden onderzocht kunnen worden vervolgd voor de Chinese rechter.

Critici zien de nieuwe wet als een ramp voor de autonomie in Hongkong. De protestbewegingen worden er monddood door gemaakt. Enkele belangrijke protestleiders hebben al aangekondigd te stoppen met protesteren of zijn ondergedoken uit angst voor een levenslange gevangenisstraf. Westerse landen hebben de wet openlijk veroordeeld, maar de maatregelen die zij tegen China hebben genomen zijn vooral symbolisch en worden contraproductief geacht.

De toekomst van Hongkong ziet er op dit moment niet rooskleurig uit. Inwoners van het financieel machtige gebied vrezen het Chinese communistische regime. Nadat zij jarenlang van westerse kapitalistische vrijheden hebben genoten, wordt de Chinese greep steeds klemmender. Op 1 juli 2047 zal het autonome tijdperk van Hongkong officieel voorbij zijn. Hoe het leven er tot die tijd uit gaat zien in Hongkong is onduidelijk.

Written by: Jeroen Posthumus

‘In de bak, is aan de bak’

Afgelopen week werd de wet ‘Straffen en Beschermen’ aangenomen door de Eerste Kamer. De wet zal grote gevolgen hebben voor gedetineerden. Het gaat om een wijziging in de Penitentiaire beginselenwet en het Wetboek van Strafrecht. Vooral de voorwaardelijke invrijheidstelling zal een drastische verandering ondergaan. Tevens zal de wet een wettelijke basis voor persoonsgerichte aanpak tijdens detentie verschaffen.

Waar een gedetineerde eerst na 2/3e van het uitzitten van zijn straf voorwaardelijk in vrijheid kon worden gesteld, zal dit nu pas maximaal twee jaar voor het einde van de straf mogelijk zijn. Daarnaast zal het OM voor iedere gedetineerde apart bepalen of voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden toegepast of niet.

De voorwaardelijke invrijheidstelling, zoals daar voorheen invulling aan werd gegeven, gold voor onvoorwaardelijke en onherroepelijke straffen van minimaal 1 jaar. Het doel hiervan was het verminderen van het herhalen van strafbare feiten, aangezien een veroordeelde tijdens de voorwaardelijke invrijheidstelling kan deelnemen aan de maatschappij onder bepaalde voorwaarden.

Eén van de redenen tot wijziging van deze wet is volgens de Minister voor Rechtsbescherming doordat de vorige regeling afbreuk deed aan het rechtsgevoel. Straffen zouden hierdoor volgens hem niet meer geloofwaardig genoeg zijn. Het wetsvoorstel werd mede onderbouwd met het argument dat het na 2/3e van de straf vrijlaten niet te rechtvaardigen was tegenover de slachtoffers.

Niet alleen ziet de wet ‘Straffen en Beschermen’ erop toe dat gedetineerde een groter deel van zijn straf moet uitzitten, ook wordt het van groot belang geacht dat gedetineerde tijdens de straf actiever aan de re-integratie zal werken. De tijd in de gevangenis zal beter moeten worden benut, ‘in de bak, is aan de bak’, aldus Minister Dekker. Aan de hervormde voorwaardelijke invrijheidstelling zal een individuele beoordeling ten grondslag liggen, waarbij het gedrag van de gedetineerde, de belangen van het slachtoffer en het risico voor de maatschappij als toetssteen zullen dienen. Het OM zal beslissen op de voorwaardelijke invrijheidstelling. Er zal dus sprake zijn van een actievere detentie, waarbij eigen verantwoordelijkheid en het gedrag van de gedetineerde van groot belang zijn.

Het algemene en regimesgebonden verlof wordt vervangen door een verlofsysteem waarbij per gedetineerde wordt bekeken voor welke verlofsoorten hij in aanmerking komt en waarbij verlof steeds uitdrukkelijk is verbonden aan een concreet re-integratiedoel. Een concreet doel kan bijvoorbeeld bestaan uit het vinden van werk of een huis. Dit moet wederom worden toegestaan door het gedrag van de gedetineerde, de belangen van het slachtoffer en de risico’s voor de maatschappij. Kortom leidt goed gedrag dus tot mogelijkheden voor de gedetineerde om aan re-integratie te werken middels vrijheden binnen de gevangenis.

Naast het beroep wat wordt gedaan op de eigen verantwoordelijkheid, krijgen gedetineerden voortaan ook meer hulp. Het straffen geeft op dit moment te weinig aanleiding voor de

gedetineerde om zijn leven te verbeteren. Gemeenten en de reclassering zullen invulling geven aan een actievere rol, met als doel een veilige terugkeer in de maatschappij.

Met de inwerkingtreding van wet ‘Straffen en Beschermen’ komen gedetineerden dus op zijn vroegst twee jaar voor het einde van hun gevangenisstraf voorwaardelijk vrij. Gedetineerden zullen alleen in aanmerking komen voor verlof of privileges, zoals een keuze in werk, indien zij goed gedrag vertonen. Deze veranderingen zullen meer aansluiting vinden met de doelen van gevangenisstraffen; het bieden van genoegdoening aan het slachtoffer en de maatschappij als geheel en het voorkomen dat iemand opnieuw in de fout gaat.

Written by: Anne-Solaine Kooijman

Wet homologatie onderhands akkoord

Als een onderneming (tijdelijk) in de financiële problemen raakt, zal zij er alles aan willen doen om een faillissement te voorkomen. Tot nu toe is de surseance van betaling altijd het instrument geweest waarmee ondernemingen probeerden weer solvent te worden. De surseance verschaft ondernemingen een adempauze waarin zij niet gedwongen kunnen worden om bepaalde vorderingen te voldoen. Deze tijd kunnen zij aangrijpen om hun betalingsproblemen op te lossen. In de praktijk blijkt de surseance echter in de meeste gevallen niet effectief. Veruit de meeste surseances worden uiteindelijk alsnog omgezet in een faillissement. Nu lijkt er een oplossing te zijn.

Om het aantal faillissementen te verkleinen, is er een Europese richtlijn opgesteld, die lidstaten verplicht effectieve pre-insolventieprocedures te implementeren in nationale wetgeving. Minister van Rechtsbescherming Sander Dekker heeft hier gehoor aan gegeven door op 5 juli 2019 de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA) ter behandeling bij de Tweede Kamer in te dienen, waar het op dinsdag 26 mei 2020 werd aangenomen.

De WHOA bevat een regeling waardoor het mogelijk is voor een onderneming om een akkoord te sluiten met een deel van haar schuldeisers, waarna dit akkoord door de rechtbank gehomologeerd kan worden. De homologatie heeft ten gevolg dat het akkoord verbindend wordt voor alle schuldeisers, ook degene die niet met het akkoord hebben ingestemd. Er wordt hierdoor ook wel gesproken van een dwangakkoord.


In de WHOA worden schuldeisers opgedeeld in verschillende klassen. Zo zal er in de meeste gevallen een klasse met concurrente vorderingen en een klasse met preferente vorderingen zijn. Het akkoord kan bijvoorbeeld inhouden dat de concurrente schuldeisers allemaal 30% van hun vordering uitbetaald krijgen, en de preferente schuldeisers allemaal 50%. Ook het afspreken van betaaltermijnen is denkbaar. De rechter kan het akkoord al verbindend verklaren als ten minste één klasse heeft ingestemd. Een klasse heeft ingestemd als binnen die klasse door schuldeisers die gezamenlijk ten minste 2/3 van de waarde van de vorderingen binnen die klasse vertegenwoordigen is voorgestemd. In deze gevallen komt de rechter geen grote mate van beleidsvrijheid toe: als niet is voldaan aan één van de algemene afwijzingsgronden, honoreert hij in principe het verzoek tot homologatie.

Door deze regeling wordt voorkomen dat één dwarsliggende crediteur de reorganisatie van een onderneming kan voorkomen. Het is de ondernemer die een akkoord gaat aanbieden aan te raden een uitgebreid toekomstplan te overleggen, waarin hij de schuldeisers een beeld geeft van de levensvatbaarheid van de onderneming. Op deze manier maakt hij meer kans dat de vereiste meerderheid behaald wordt.

De reacties uit de insolventiepraktijk zijn sinds indiening van het wetsvoorstel in overwegende mate lovend. Specialisten zien in de WHOA eindelijk het reorganisatie instrument dat Nederland ontbeerde. Er is dan ook een ongebruikelijk grote lobby geweest voor een versnelde invoering van de wet, waarbij de grote advocatenkantoren een bepalende rol hebben gespeeld en de verwachte toename van het aantal faillissementen door Covid-19 als hoofdargument werd gebruikt. Deze enorme lobby heeft vragen opgeroepen. Zo schrijft Tom-Jan Meeus in NRC dat de advocatenkantoren in eerste instantie zijn gaan lobbyen omdat ze verwachten dat de WHOA ervoor zorgt dat problematische buitenlandse bedrijven naar Nederland gaan komen voor hun reorganisaties. Voor de advocatenkantoren betekent dit meer klandizie, maar wat is de impact hiervan op de Nederlandse economie?

Hoe dan ook zal de WHOA naar verwachting veel bedrijven die in de kern levensvatbaar zijn van de ondergang kunnen redden. Het zal natuurlijk niet voldoende zijn om de negatieve gevolgen van Covid-19 weg te nemen, maar een inperking van het aantal faillissementen lijkt gerealiseerd te worden.

Written by: Jeroen Posthumus

De roep van de BOA

Buitengewone Opsporings Ambtenaren (BOA’s) raken steeds vaker verwikkeld in ongewenste geweldsincidenten. Vanuit de Nederlandse BOA Bond is om uitbreiding van de uitrusting van BOA’s verzocht, waar Minister Grapperhaus van Veiligheid & Justitie tot nu toe geen voorstander van is. Heiligt het doel de middelen? En is het oorspronkelijke doel van de BOA inmiddels niet voorbijgestreefd? Of is het voor de burger niet duidelijk wat de rollen en bevoegdheden van de BOA zijn? Dit laatste punt creëert wellicht onbegrip bij de bevolking.

De bevoegdheden van BOAs zijn te vinden in de akte van opsporingsbevoegdheid en deze bevoegdheden kunnen per BOA verschillen. Een BOA is vaak gespecialiseerd in een deel van een wet of verordening, ook wel domeinen genoemd, waarbij voor elk domein specifieke opleidingseisen kunnen gelden. De domeinen zijn te verdelen in ‘openbare ruimte’, ‘milieu, welzijn en infrastructuur’, ‘onderwijs’, ‘openbaar vervoer’, ‘werk, inkomen en zorg’ en ‘generieke opsporing’.

BOA’s zijn landelijk opsporingsbevoegd waarbij zij in overleg met de lokale driehoek, waaronder te verstaan de officier van justitie, burgemeester en politiechef, buiten het gebied van hun werkgever mogen optreden. Overtredingen die overlast veroorzaken en leiden tot kleine ergernissen vallen onder de noemer leefbaarheid en is het typische werkterrein van een BOA. In dreigende- en/of gewelddadige situaties is een adequate back-up voor BOA’s van belang waarbij de politie, mede gezien de gevaarzetting, primair aan zet is wanneer het gaat om het handhaven van de openbare orde en de veiligheid.

Om de complementaire taakverdeling tussen politie en BOA’s te benadrukken en te verhelderen, is in 2014 het leefbaarheidscriterium geïntroduceerd. Het leefbaarheidscriterium bevat cumulatieve criteria die uiteenvallen in ‘criteria met betrekking tot de afbakening van ‘leefbaarheid’’ en ‘criteria met betrekking tot de uitvoerbaarheid door een BOA met het betreffende specialisme’.

In beginsel hebben de politie en krijgsmacht een geweldsmonopolie. Belangrijk argument daarvoor is, dat het geweldsmonopolie niet bedoeld is ter verdediging. BOA’s hebben niet de taak om door toepassing van geweld hun taken te verrichten. De Minister van Justitie en Veiligheid kan bepalen dat een BOA geweld- of vrijheidsbeperkende middelen kan gebruiken en bevoegd is tot veiligheidsfouillering, vervoersfouillering en insluitingsfouillering (zie artikel 7, negende lid, Politiewet 2012), in deze beleidsregels aangeduid als politiebevoegdheden. In geval de Minister van Justitie en Veiligheid bepaalt dat er sprake is van noodzaak, kunnen er aan de BOA’s ook geweldsmiddelen worden toegewezen zoals handboeien, wapenstok, pepperspray of zelfs een vuurwapen.

Voor de toekenning van geweldsmiddelen moet er sprake zijn van bekwaamheid in de omgang met het betreffende wapen en er moet sprake zijn van de in redelijkheid te verwachten kans dat een BOA bij het uitvoeren van zijn functie met geweld of dreiging met geweld kan worden geconfronteerd. De toekenning van geweldsmiddelen wordt beoordeeld aan de hand van vier criteria-vragen: 1) voor welk soort wetsovertreding(en) is de opsporingsbevoegdheid verleend? 2)Wat is de aard van de te verwachten agressie? 3) Over welke geweldsmiddelen kan de BOA op basis van zijn taakstelling beschikken? En 4) In welke frequentie en mate hebben zich in het verleden situaties voorgedaan waarbij bewapening wenselijk was geweest?

Het feit dat BOA’s steeds vaker in genoemde situatie terechtkomen waarin zij letsel oplopen omdat zij zichzelf niet goed hebben kunnen beschermen tegen agressieve burgers, geeft aan dat de BOA daadwerkelijk vaker te maken krijgt met fysiek geweld. Heeft de burger te weinig natuurlijk respect voor de BOA, waardoor er sneller en gemakkelijker een geweldsituatie tegen hen ontstaat? Er komen steeds frequenter situaties voor waarbij bewapening van de BOA op grond van bovenstaande criteria gerechtvaardigd zou zijn.

Is nu dan het moment om te constateren dat het niet bezwaarlijk zou zijn dat een BOA uitgerust wordt met een geweldsmiddel? De vervolgvraag is dan of je met het toekennen van geweldsmiddelen aan een BOA de genoemde incidenten daadwerkelijk voorkomt? Is er misschien een manier om ervoor te zorgen dat een BOA dezelfde mate van respect krijgt van de burger, dan wel afdwingt, als andere geüniformeerden? Respect zou bijvoorbeeld meer kunnen worden afgedwongen door hogere straffen bij geweldpleging tegen BOA’s. Ligt het knelpunt eigenlijk wel bij de BOA’s of moeten we het hogerop zoeken zoals de onderbezetting bij de politie?

Dat er iets moet veranderen voor de positie van de BOA is zeker, maar wat daar precies voor nodig is blijft een groot discussiepunt. Duidelijk is geworden dat de BOA inspringt op terreinen waar de politie niet meer aan toekomt, maar voor dezelfde taken heeft de BOA niets om zichzelf te kunnen verdedigen dan wel te beschermen, de politie daarentegen wel. We moeten in ogenschouw houden waarom BOA’s in het leven zijn geroepen maar het moet voor hen wel veilig zijn om hun taak uit te kunnen oefenen. De kern is, dat we eerst een manier moeten vinden om de BOA in de ogen van de burger in een een sterkere positie te zetten. De BOA dwingt onvoldoende respect af of wordt zelfs niet erkent bij de Nederlandse bevolking. De BOA is het zat om op deze manier hun werkzaamheden te verrichten. Dat er wellicht zelfs een wapenstok of hogere straffen als gevolg van geweldpleging tegen de BOA moeten worden toegevoegd om dit doel te bereiken, is tragisch te noemen.

Written by: Anne-Solaine Kooijman

Conservatieve rechtspraak kan het recht op een eerlijk proces niet waarborgen

In tijden als deze wordt niets anders dan lof gesproken over de mensen in de vitale sectoren. Zij staan aan de frontlinie en hebben zich van hun flexibelste en moedigste kant laten zien. Daarmee worden zij terecht gezien als dé helden in de strijd tegen het coronavirus. Toch is het niet elke vitale sector gelukt zich innovatief te tonen. Dat kon na de mislukking van het KEI-traject toch niet helemaal als een verassing komen.

De Nederlandse rechtspraak heeft de afgelopen weken een storm van kritiek over zich heen gekregen. Eind maart besloten zij zo goed als de hele rechtsspraak te sluiten, alleen de meest urgente zaken konden doorgang vinden. Daar waar de plaatselijke supermarkten en bouwmarkten er binnen twee weken in slaagde ‘corona-proof’ te worden, duurde dit proces bij de Rechtbank twee maanden. Dit heeft volgens korpschef Henk van Essen geleid tot een achterstand van ongeveer 40.000 zaken. Sinds maandag 11 mei is de Rechtbank gedeeltelijk weer open. Welke maatregelen zijn er in die twee maanden tijd in de rechtszaal genomen?

Net als de kassamedewerkers bij de supermarkt wordt de rechter beschermd door een schot van plexiglas. Verder zijn de paden verbreed en gelden er loopinstructies. Er zal geen publiek aanwezig mogen zijn. De belangrijkste maatregel die getroffen is, is dat er op de plek waar normaal gesproken de verdachte zou zitten, nu een manshoge paal staat met een videoscherm en een luidspreker. Op dit scherm is een liveverbinding te zien met een studio in de gevangenis vanaf waar de verdachte zijn zaak kan volgen. Hoewel dit op het eerste gezicht een adequate oplossing lijkt, kleven er veel nadelen aan dit systeem. Zo constateert ook journalist en oud NRC-hoofdredacteur Folkert Jensma, die in de huidige gang van zaken een rechtstreekse schending van het recht op een eerlijk proces ziet.

Jensma heeft daar een punt. De camera op de paal staat alleen gericht op de rechters, alleen de rechters kunnen via het scherm de verdachte bekijken. Dit zorgt ervoor dat contact tussen advocaat en verdachte nagenoeg onmogelijk is. Waar de advocaat normaal gesproken naast de verdachte zit, hem advies kan toefluisteren en hem tot rust kan manen, is daar nu geen ruimte meer voor. Hij kan hem zelfs niet meer zien. Hoewel er onder voorwaarden wel journalisten de publieke tribune mogen betreden, hebben zij ook geen zicht op de verdachte. Voor Folkert Jensma waren de zaken die hij bezocht ingewikkeld te volgen hoorspelen: ‘Welke indruk maken de verdachten? Welke houding namen ze aan? Onverschillig, oplettend, responsief, negatief, positief, berouwvol? Geen idee. Was er interactie met de rechters, (on)begrip, ergernis, scepsis, overtuiging, afkeuring, meegevoel? Het was niet te zien. Hier werd een stem uit een tv berecht. Dat is niet goed.’

Het feit dat een verdachte zijn proces gebrekkig kan volgen, is kwalijk. Het feit dat een verdachte zijn proces niet kan afkijken, gaat te ver. Dat is precies wat er nu gebeurd. Omdat er te veel gedetineerden zijn die moeten voorkomen, zijn de studio’s in de gevangenissen overbelast. Dit heeft ertoe geleid dat de directeur van het Huis van Bewaring timeslots van 45 minuten heeft ingesteld. De tijdsdruk is hierdoor zo hoog, dat de hele zitting gehaast verloopt. Als de tijd afgelopen is, gaat het scherm op zwart. Ondertussen gaat het proces gewoon door, met de advocaat als belangenbehartiger voor de verdachte. Als de rechters merken dat de tijd op gaat raken, vragen ze de verdachte midden in de zitting vast zijn laatste woord uit te spreken. Nog voor het oordeel is uitgesproken zit de verdachte weer in zijn cel.


De rechtspraak heeft zijn slechte naam op het gebied van innovatie en flexibiliteit maar weer eens bevestigd. Ze zijn er in twee maanden tijd niet in geslaagd het recht op een eerlijk proces te waarborgen in een gezondheidscrisis. Ook het recht op toegang naar de rechter is in het gedrang door de eerdergenoemde achterstand van 40.000 zaken. Concrete maatregelen om dit aan te pakken gaan nog lang niet ver genoeg. Hoe vindt de rechtspraak zelf dat het gaat? ‘Ik ben eigenlijk best wel tevreden over hoe het gaat in de rechtbanken’, aldus Henk Naves, voorzitter van de Raad van de rechtspraak in Trouw.


Written by: Jeroen Posthumus

Deelgezag als stap naar modernisering van het familierecht?

De huidige, steeds sneller veranderende samenleving die onder andere zorgt voor het ontstaan van steeds anders samengestelde gezinnen, leidt tot onduidelijkheid op het gebied van het personen- en familierecht. Hoe gaan we hier juridisch mee om? Het uitgangspunt is dat het belang van het kind altijd voorop staat, waarbij continuïteit in de omgang met het kind van groot belang wordt geacht. 24 april 2020 is het wetsvoorstel geïntroduceerd omtrent een nieuwe vorm van gezag over minderjarige, het deelgezag.

Naar de huidige stand van het familierecht is het voor een kind mogelijk om slechts twee juridische ouders hebben en kunnen maximaal twee personen met gezag over het kind worden belast. Er wordt momenteel dus geen juridische invulling gegeven aan de situatie waarin er een moderne gezinssamenstelling bestaat. Het is niet mogelijk een formele positie te verkrijgen wanneer je als persoon wel een belangrijke rol in het leven van een kind speelt, maar geen juridische ouder bent. Dit wordt door velen onwenselijk geacht.

Door het steeds meer ontstaan van zogenaamde meeroudergezinnen, is het vaak voor buitenstaanders onduidelijk wat de positie is van deze personen ten opzichte van het kind. In december 2016 is een rapport ‘Kind en ouder in de 21e eeuw’ door de Staatscommissie Herijking ouderschap uitgebracht en zijn daar 68 aanbevelingen gedaan om het personen- en familierecht beter te laten aansluiten op de huidige ontwikkelingen in de samenleving.

Het voorstel van wet van deelgezag ziet erop dat het kind gebaat is bij een stabiele opvoedingssituatie en bij juridische bescherming van de feitelijke gezinssituatie. Deelgezag zal de rechtspositie van degene die samen met de ouders voor het kind zorgen moeten versterken en binnen deze gezinnen een oplossing moeten bieden voor problemen die ze bij de dagelijkse opvoeding en verzorging kunnen tegenkomen.

Volgens het huidige wetsvoorstel zal deelgezag inhoudelijk worden ingevuld met beslissingen over de dagelijkse opvoeding en verzorging.De deelgezagdragers zullen samen met de gezagsdragers het recht en de verantwoordelijkheid verkrijgen dagelijkse beslissingen te nemen en handelingen te verrichten op het gebied van de dagelijkse opvoeding en verzorging. Ook zal voor de deelgezaghebber het recht op informatie en consultatieontstaan. Hierbij moeten de gezagsdragers, die de wettelijke bevoegdheid hebben beslissingen te nemen over het kind, de deelgezagdrager op de hoogte te stellen van relevantie informatie. De deelgezagdrager verkrijgt het recht op de hoogte te worden gesteld van informatie van beroepskrachten die bij het kind zijn betrokken, deze informatie ziet op belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van de minderjarige over zijn opvoeding en verzorging betrekken. Het is in de eerste instantie aan de gezagsdragers de deelgezagdragers te informeren. Ten derde beoogt het deelgezag recht op de omgang voor de deelgezagdragers te creëren, hierdoor zal het belang van het kind voorop blijven staan in het waarborgen van de continuïteit in de omgang indien er bijvoorbeeld eventuele conflicten ontstaan tussen gezagsdrager en de deelgezagdragers. Daarbij zal het deelgezag ook het blokkaderechtfaciliteren. Het blokkaderecht geldt als bescherming van de deelgezaghebber in zijn rol in de opvoeding. Het blokkaderecht houdt feitelijk in dat de gezagsdragers de instemming van de deelgezagdragers nodig hebben indien zij een zodanige wijziging in de

dagelijkse verzorging en opvoeding willen doorvoeren, dat de deelgezagdrager substantieel wordt beperkt in zijn mogelijkheden om hierbij betrokken te blijven of het hem feitelijk onmogelijk wordt gemaakt.

Verkrijging van het deelgezag kan vanaf de geboorte, ook wel het intentioneel deelgezag genoemd. Hierbij geldt dat indien een gezagsdrager en een beoogd deelgezagdrager het zo willen regelen, zij dit binnen drie maanden, te rekenen vanaf de dag na de geboorte van het kind bij de rechtbank kunnen indienen. Een termijn van drie maanden wordt aangenomen omdat er dan hoogstwaarschijnlijk al voor de geboorte duidelijkheid is over de wens van deelouderschap. Indien er toch behoefte komt aan deelgezag op een later moment geldt echter een verzorgingstermijn van ten minste een jaar met het oog een situatie met enige stabiliteit te waarborgen. Er geldt hierbij een rechterlijke toets waardoor deelgezag niet tot stand kan komen als het belang van het kind zich verzet tegen de formele toevoeging van de beoogd deelgezaghebber.

Op dit moment is het instellen van het deelgezag slechts een wetsvoorstel. Wel wordt beoogd dit wetsvoorstel voor de zomer van 2020 al in werking te stellen. Op dit moment kunnen er nog vragen bij bepaalde punten worden gesteld. Het wetsvoorstel vloeit mede voort uit het feit dat de informele status als mede-opvoeder tot praktische problemen kunnen leiden, maar zal dit andersom niet precies hetzelfde zijn? Het belang van het kind zal altijd voorop staan, maar toename van het aantal personen met uitgebreide rechten tot het kind zouden ook juist kunnen leiden tot een toename van het aantal conflicten rond dat kind?

Wanneer je ouder wordt van een kind is dit veelal een gelukkige gebeurtenis en je hoopt dat er geen conflicten rondom het kind zullen ontstaan. Indien dit wel gebeurt ligt dit vaak gevoelig. Het wordt nodig geacht het personen- en familierecht beter te laten aansluiten bij steeds vaker voorkomende anders samengestelde gezinnen. De wetgever begeeft zich hier op glad ijs en veel meningen zullen voorbij komen.Zal het deelouderschap, zoals daar nu beoogt wordt invulling aan te geven, voldoende zijn om het recht te moderniseren waarbij het belang van het kind nog steeds voorop staat?

Written by: Anne-Solaine Kooijman

Publiekrechtelijke bevoegdheid in crisistijd

Ondanks de eerste voorzichtig positieve berichten die sinds begin april hoorbaar zijn, woedt de strijd tegen het coronavirus nog hevig. De druk op de Nederlandse overheid is enorm en het kabinet strooit met verregaande maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan. Omdat de ernst van de crisis inmiddels bij iedereen is neergedaald, zullen er weinigen zijn die aan deze maatregelen proberen te tornen. Toch roept dit maatregelenpakket interessante vragen op over het wettelijk kader waarbinnen de overheid zich in deze hachelijke tijden moet manoeuvreren. In deze blog ga ik dat nader onder de loep nemen.

Bij het bestrijden van infectieziekten treedt de Wet publieke gezondheid (Wpg) in werking. Dit is een wet die in 2008 is ingevoerd naar aanleiding van een nieuwe gezondheidsregeling van het WHO. In deze wet worden de verschillende infectieziekten opgedeeld in categorieën. Het coronavirus valt op grond van art. 1 onder e Wpg onder categorie A. Dit is de zwaarste categorie en geeft daarom ook de meeste ruimte om dwingende maatregelen op te leggen. De minister van Medische Zorg en Sport is op grond van artikel 7 Wpg belast met de bestrijding van infectieziekten, waarbij het RIVM op grond van artikel 6c een adviserende taak toekomt. De minister geeft leiding aan deze bestrijding door de voorzitters van de 25 veiligheidsregio’s aan te sturen. Hij doet dit door middel van aanwijzingsbesluiten waarin hij een gewenste maatregel kan opdragen. De maatregelen die op grond van de Wpg genomen kunnen worden zijn talrijk en opgesomd in Hoofdstuk V van de wet. Een groot deel van de reeds genomen maatregelen vinden hier hun grondslag.

Ook de Wet veiligheidsregio’s is in dit verband relevant. Deze wet hevelt een aantal bevoegdheden van de burgemeester over aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s en treedt in werking in geval van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis, of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De voorzitters zijn over het algemeen de burgemeesters van de grootste gemeente die in de regio gevestigd is. Deze regiobenadering bevordert de overzichtelijkheid en doelmatigheid van het beleid, immers, op deze manier hoeft de minister maar met 25 burgemeesters om de tafel en niet met 355. De belangrijkste bevoegdheid die de voorzitter van de veiligheidsregio erbij krijgt, is die om noodverordeningen voor de hele regio in te stellen. Dit zijn algemeen verbindende voorschriften die vaak een grove inbreuk op de grondrechten van burgers maken. Normaal gesproken worden deze noodverordeningen dan ook zelden uitgevaardigd, maar in tijden als deze zijn ze eerder regel dan uitzondering. Zoals eerder aangegeven wordt op dit moment alles in overleg met de minister gedaan, die ook bindende aanwijzingsbesluiten kan uitvaardigen.

In het kader van deze bevoegdheidssystematiek is er nog een andere rechtsfiguur die niet onbesproken kan blijven: de noodtoestand. Over de hele wereld zijn er op dit moment landen die deze bijzondere situatie inroepen. In de meeste gevallen zorgt dit ervoor dat de regeringen in één klap een enorm bevoegdhedenpakket erbij krijgen die ze kunnen inzetten ter bestrijding van het virus. Nederland heeft dit tot nog toe achterwege gelaten. Wat houdt deze rechtstoestand in Nederland in en waarom is hij niet ingeroepen?

De noodtoestand is in Nederland geregeld in de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Dit is een uitwerking van het neergelegde in art. 103 van de Grondwet, waarin de Grondwetgever de wetgever de taak heeft gegeven om te voorzien in een dusdanige uitzonderingstoestand. De noodtoestand kan bij Koninklijk Besluit op voordracht van de minister-president worden ingeroepen. Dit kan gebeuren indien het gaat om een situatie waarin een vitaal belang bedreigd wordt en waarin normale bevoegdheden ontoereikend zijn om het probleem op te lossen. Er bestaat een onderscheid tussen de beperkte noodtoestand en de algemene noodtoestand, waarbij de algemene noodtoestand de meest vergaande is. De normale bevoegdheden van de lokale overheden worden hiermee op grond van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag grotendeels van de kaart geveegd. Ook kunnen er in deze situatie andere noodwetten in werking treden, waaronder de Hamsterwet, de Prijzennoodwet, de Noodvoedselwet, en de Noodwet geneeskundigen.

Aldus gezegd werkt Nederland voorlopig nog niet met de noodtoestand. Dit is te verklaren door het grote aantal bevoegdheden die zij reeds op grond van de wet Publieke gezondheid kunnen uitoefenen. Wel staat vast dat de coronacrisis een uitzonderlijke omstandigheid oplevert op grond waarvan de noodtoestand in het leven kan worden geroepen. Mocht het huidige beleid niet toereikend blijken om de intelligente lockdown te handhaven, heeft Nederland met de noodtoestand dus nog een machtig instrument om handen waarmee zij een breed scala aan bevoegdheden kan verwerven.

Written by: Jeroen Posthumus

Ghost Flights caused by the ‘use it or lose it’ rule under EU law

The COVID-19 outbreak is having a huge impact on all aspects of our everyday life. Especially the aviation industry does not have the ability to cope with these circumstances without assistance. To combat the virus, many countries have implemented a mixture of travel bans and social-distancing measures, which has greatly reduced air travel demand. Despite this enormous decrease in air travel demand, airlines have continued to put empty ‘ghost flights’ in the sky. But why?

Under the EU Airport Slots Regulation (EEC 95/93), airlines are subject to a ‘use it or lose it’ rule which requires them to operate 80% of their allocated slots or lose their right to the slot in future seasons. When they succeed in operating 80% of their allocated slots, they maintain their so-called ‘grandfather rights’. The aim of this regulation is to ensure that where airport capacity is scarce, the available landing and take-off slots are used efficiently and ‘distributed in an equitable, non- discriminatory and transparent way’. In case airlines fail to operate 80% of their allocated slots, all the slots in that series are placed in a ‘slot pool’. Consequently, other airlines can make an appeal for utilisation of the slots, unless the non-utilisation can be justified.

Justification can only take place for the specific reasons as described by EU Slot Regulation. The European Airport Coordinators Association (EUACA) gives an interpretation of ‘force majeure’ as ‘events outside the air carrier’s control, caused by extraordinary circumstances which could not have been avoided even if all reasonable measures had been taken’. The force majeure list is exhaustive, an exceptional circumstance such as the COVID-19 outbreak leading to lower air demand is not within its scope. Examples of circumstances included on the force majeure list are ‘closure of an airport or airspace’ or ‘grounding of the aircraft type generally used for the air service in question’.

At the beginning of March, the International Air Transport Association (IATA) and the European Airport Coordinators Association (EUACA) contacted aviation regulators worldwide to request that the rules governing use of airport slots be suspended immediately as well as for the whole 2020 season, due to the impact of COVID-19. The importance for the airlines having the EU agree and follow the full season to be waived in terms of the slot usages is because of both the economic and environmental damage the empty ghost flights cause. The call for help was heard and as of the 8th of April 2020 an amended regulation, the ‘Waiver Regulation’, is in effect. This legally requires carriers to ensure all slots that are dated for operation April 9th onwards must be returned to the coordinator in charge of slot allocation in advance in order for the COVID-19 use-it-or-lose-it rule alleviation to be granted.

Amendments in the EEC 95/93 rules on air slots were made in the past in order to help the aviation industry cope with unforeseeable circumstances outside the scope of the force majeure clause. After 9/11 they inserted an article in the EU Slot Regulation saying coordinators shall accept that air carriers are entitled to the same series of slots as had been allocated to them on the date of 9/11 for the summer season. Also, as a result of the SARS epidemic they decided to waive the 80%-requirement and appointed the same slots as the year before. The last time they decided to relax the air slot rules was at certain points during the 2008’s financial crisis.

The measures taken in respect of the adjustment of the ‘use it or use it rule’ will help both the European aviation industry and the environment, as it releases pressure on industry and it also decreases emissions by avoiding the earlier discussed ‘ghost flights' where airlines fly almost empty

aircrafts to keep their slots. The amendment is therefore considered as very welcome by both EUACA and IATA.

Written by: Anne-Solaine Kooijman

Januari 2020

Onlangs mocht het Verenigd Koninkrijk stemmen voor een nieuwe regering. Twee partijen stonden tegenover elkaar: the labour party en de conservatives. Deze verkiezingen gingen niet alleen over voor welke partij je koos om de nationale problemen op te lossen, maar ook over wel of geen Brexit. De conservatieven zijn vóór Brexit, onder leiding van Boris Johnson, en Labour is tegen Brexit, onder leiding van Jeremy Corbyn.

Naast de verdeeldheid over wel of geen Brexit, verschillen de twee partijen op nog meer punten. Een grote bezorgdheid voor vele Britten is bijvoorbeeld de National Health Services (NHS). Er wordt geloofd dat de conservatieven dit beetje bij beetje willen privatiseren: dit houdt in dat waar Britten gotendeels gratis gezondsheidszorg krijgen, er nu voor meer behandeling geld uit eigen zak moet worden betaald. Het grootste probleem hiervan is dat er een grote groep is in het Verenigd Koninkrijk die leeft in grote armoede, en dat zij deze dure behandelingen dus niet kunnen betalen. Corbyn wil de NHS houden zoals het is, waar hij wil dat er meer aandacht wordt besteed aan de medewerkers in de zorg. Een klassieke strijd tussen rechts en links dus, die normaal gesproken de grootste focus van de verkiezing zou zijn.

Voor veel mensen leek Brexit echter toch de druppel om voor de conservatieven te stemmen. Corbyn beloofde een nieuw referendum, maar werd grotendeels gezien als zelf onzeker over Brexit, terwijl Johnson beloofde voor januari 2020 een Brexit-deal te hebben gemaakt onder de slogan “Get Brexit Done”. Waar eerst veel werd gedacht dat veel Britten helemaal niet achter Brexit stonden en dat zij simpelweg vergeten waren te stemmen, lijkt het nu toch dat de meerderheid van het volk wel degelijk achter de Brexit staat, of ten minste een Brexit die binnenkort tot een conclusie zou komen. Boris Johnson heeft in de verkiezingen de meerderheid van de zetels gewonnen, waardoor inmiddels een Brexit-deal is aangenomen in het lagerhuis (House of Commons). Hierna zal er nog door het Hogerhuis (House of Lords) gekeken worden naar de deal. In de deal is een aantal dingen die vastgelegd zijn over het uittreden van het Verenigd Koninkrijk uit de EU. Zo zal het 31 januari officieel de EU verlaten.

Hierna zal een transitieperiode zijn waarin onderhandelingen kunnen plaatsvinden over bijvoorbeeld het vrij verkeer van periode, en hier ontstaat er misschien wel een probleem voor de Johnson slogan. Tot in ieder geval 31 december 2020 zal er nog niks veranderen voor de Britten, omdat de transitieperiode tot die datum is vastgesteld. Wat de banden tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk zullen worden na die datum blijft echter onduidelijk, en met het verbod op een verdere verlenging van de uiteindelijk exit-datum - zoals Johnson hem in de deal heeft vastgelegd - bestaat er dus wel nog een kans op een vertrek zonder deal over de toekomst van de EU-VK relatie, wat voor sommigen gelijk staat aan een No-Deal Brexit. Dit is vooral van belang voor Europeanen die wonen en werken in Engeland, maar ook voor Britten die in Europa wonen en werken. Andere vragen staan ook nog open: hoe zal de situatie van Noord-Ierland zich nog ontwikkelen nu dat er een douanegrens tussen haar en de rest van het Verenigd Koninkrijk ligt?

Er zijn veel dingen die besproken en bepaald zullen moeten worden, maar het is in ieder geval bijna zeker dat het Verenigd Koninkrijk de EU per 31 januari 2020 zal verlaten, en dat de transitie periode zonder vertraging op 31 December 2020 zal eindigen. Deze verkiezingen hebben laten zien dat het Britse volk wel achter de Brexit staat, iets wat door velen toch niet geloofd werd. Hoe het er juridisch na de Brexit uit zal zien, zullen we zien. Tot die tijd zullen de EU en het Verenigd Koninkrijk veel moeten onderhandelen en verdragen op moeten stellen om de transitie zo goed mogelijk te kunnen laten verlopen.


Written by: Hannah Paardekooper

Freedom of Expression Online under fire in Hong Kong

An injunction restricting online messaging imposed by Hong Kong’s highest court on October 31st might be the scariest thing to have happened on Halloween. Echoing many in Hong Kong’s pro-democracy movement, law-maker Charles Mok warned on Oct 31st that “The temporary injunction sets an extremely dangerous precedent for introducing internet censorship of online speech similar to the Great Firewall of China.” Is this, as pundits the world over hurry to point out, the latest attempt to restrict the freedoms so long enjoyed by the people of Hong Kong, or does this signify a more radical change in policy, perhaps induced by the protests themselves?

Hong Kong and its citizens have long escaped much of the online censorship imposed in mainland China in the past 20 years: under the One Country, Two Systems principle, Hong Kong and Macau financial and technological sectors have prospered, in part by by avoiding the firewall restricting internet-use on the mainland. The “Great Firewall” of China, introduced in the 1990’s alongside the Golden Shield domestic surveillance initiative, has awarded China for the fourth consecutive year the bottom spot in online freedom by banning both domestic criticism on local politicians as well as undesirable foreign content or services. The system has also long been credited for effectively erasing for the Chinese population certain key events and people in their history – the Tiananmen Square movement comes to mind – and targeting any content or forums that might incite demonstrations, be it for the government or against it. This last facet of the firewall is proving almost prophetic as protesters in Hong Kong, entering their 7th month of demonstrations this week, are being targeted online.

The internet has so far been important in the mobilization and the organization of the protests, and the injunctions imposed in the last weeks are only the latest in a series of actions forewarned earlier in August, when Hong Kong Chief Executive Carrie Lam began talking about restricting and censoring publications and messaging services. The latest measures, while only temporary, drew particular ire as they were aimed at protecting the “doxxing” of police officers: while they have been the subject of personal and near-lethal attacks, they have also been widely accused of using brutal and unnecessary force to subdue the protests. The potential banning of messaging application Telegram and Hong Kong forum site LIKHG have also caused widespread concern, as such a move effectively amounts to a law targeting a select group - a serious move which should be dealt with through new legislation and not an injunction, according to Professor Simon Young of the University of Hong Kong's law school.

Some, such as the government in Hong Kong, say that these measures only reflect temporary policy choices that directly address the protests, but other groups strongly disagree. AccessNow, a group defending and extending the digital rights of users at risk around the world, warns that “This injunction threatens to undermine fundamental human rights at a time when it is crucial for government authorities to respect and protect those rights. We fear that this creeping censorship marks another step toward a full internet shutdown in Hong Kong and will undermine the open and secure internet in Hong Kong and elsewhere.” This statement seems to echo Charles Mok’s warning and opens up the possibility that rather than being a temporary measure, it is the start of a slide of Hong Kong’s long-term freedom of expression online. Given the importance of internet freedom both as a democratic value and a financial necessity to the autonomous region, this would certainly be of larger concern, and the government of Hong Kong would do well to approach any restrictions with care and consideration for its long term effects.

Written by: Alexander van Thiel

November 2019

Het thema van ELSA Day 2019 is “Freedom of Expression Online”. Een erg actueel thema, wat eigenlijk voor iedereen van belang is. De vrijheid van meningsuiting is in tal van verdragen, wetten, richtlijnen en andere juridische documenten verankerd. Het is een voor de huidige maatschappij ontzettend belangrijk recht.

Een belangrijk deel van meningsuiting vindt tegenwoordig online plaats. Enorm veel mensen zitten bijvoorbeeld op social media. Middels platforms als Facebook, Instagram of YouTube is het tegenwoordig ontzettend gemakkelijk om je online te uiten voor een groot publiek. In beginsel een fijn gegeven, zou je zeggen.

Er zitten echter ook haken en ogen aan het gebruik van dergelijke social media. Door de platforms wordt enorm veel geld verdiend met advertenties.Volgens sommige partijen is dat oneerlijk, vaak wordt auteursrechtelijk beschermd materiaal gebruikt door de gebruikers van de platforms zonder toestemming van de eigenaar van het materiaal. Een voorbeeld hiervan is als er een film wordt geüpload op bijvoorbeeld YouTube.

De Uniewetgever probeert hierin verandering te brengen middels artikel 17 van de DSM-richtlijn (voorheen artikel 13). Deze bepaling is eerder dit jaar veel in het nieuws geweest. Het artikel bepaalt, kort gezegd, dat platforms waarop gebruikers hun materiaal kunnen delen (denk aan de hierboven genoemde platforms) ofwel een deel van de inkomsten moeten afstaan aan de eigenaren van het betreffende materiaal, of ze dienen te voorkomen dat dergelijk materiaal online komt.

Het is geen gekke gedachte dat een partij die tijd en moeite heeft gestopt in het maken van een film daar een geldelijke vergoeding voor terug wil zien. De manier waarop dat dreigt te gaan gebeuren met artikel 17 van de DSM-richtlijn is echter om verschillende redenen problematisch. Ten eerste zijn er tal van uitzonderingen op het hierboven genoemde auteursrecht. Veel gebruik van andermans materiaal is onder de Auteurswet (en hogere Europeesrechtelijke regelgeving) gewoon toegestaan. Een voorbeeld hiervan is het maken van een parodie. Je mag vrij ver gaan in het parodiëren van andermans werk. Een ander voorbeeld is het citeren van andermans werk. Zo mag je bijvoorbeeld uit iemands film een stukje overnemen. Artikel 17 van de DSM-richtlijn verandert niets aan die uitzonderingen. Het gevaar is echter dat er middels een geautomatiseerd systeem fouten gemaakt worden bij het offline halen van materiaal. De kans bestaat dat een dergelijk systeem niet slim genoeg is om een toegestane parodie of citaat als zodanig te herkennen. Zo kan gebeuren dat er ten onrechte iets geweerd wordt van een website. De uitzonderingen in de Auteurswet zijn onder andere bedoeld om ruimte te geven aan vrijheid van meningsuiting te geven. Het auteursrecht is niet absoluut. Door artikel 17 van de DSM-richtlijn wordt er echter aan die vrijheid van meningsuiting getornd.

Een ander probleem is dat de kans bestaat dat sommige kleinere platforms niet kunnen voldoen aan de regelgeving. Er wordt dagelijks bergen met materiaal geplaatst, en om dat allemaal te controleren op de aanwezigheid van auteursrechtelijk beschermd materiaal is ondoenlijk. Grote spelers als YouTube hebben vrij geavanceerde systemen, maar het ontwikkelen daarvan kost veel geld. Niet alle platforms kunnen dat betalen. In het ergste geval zou het zo kunnen zijn dat er dus minder kanalen zijn om online je mening te uiten.

Duidelijk is dat artikel 17 van de DSM-richtlijn potentieel kan leiden tot een problematische beperking van vrijheid van meningsuiting online. De richtlijn moet op 7 juni 2021 geïmplementeerd zijn in Nederland. Gelukkig is er dus nog tijd om te anticiperen, en in het ergste geval schrap zetten. Wat dat betreft is het misschien goed als het thema van ELSA day in 2021 wederom “Freedom of Expression Online” is, om te kijken of het allemaal echt zo erg is als sommigen verwachten, of dat het eigenlijk wel meevalt. Mijn vermoeden is dat het ergens tussen de twee uitersten zal liggen, en dat we er qua vrijheid van meningsuiting online niet op vooruit gaan. Een treurige gedachte.


Written by: Lucas Dikkers

NOVEMBER 2018

“We moeten onze ogen hier niet voor sluiten. Mensenhandel heeft politieke topprioriteit, daarom is het van groot belang dat er meer slachtoffers in beeld komen en dat zij bescherming krijgen.”

- Nationaal Rapporteur Mensenhandel Herman Bolhaar

Bezoek Nationaal Rapporteur Mensenhandel

Wat is mensenhandel?

Onder mensenhandel verstaat men het werven, vervoeren, overbrengen, opnemen of huisvesten van een persoon, met gebruik van dwang. De kern van mensenhandel bevindt zich in het uitbuiten van personen. Deze uitbuiting kan in verschillende sectoren plaatsvinden. De meest bekende vorm van uitbuiting vindt plaats binnen de seksindustrie maar ook in minder voor de hand liggende sectoren zoals de landbouw, schoonmaakbranche of de horeca. Het werven en vervoeren van personen met als doel organen uit het lichaam van die ander te verwijderen valt er ook onder. Er zijn verschillende vormen van dwang die kunnen worden ingezet om het uiteindelijke doel te bereiken zoals misleiding, misbruik van een kwetsbare positie of (het dreigen met) fysiek geweld. Mensenhandel vormt een inbreuk op menig fundamentele rechten zoals de recht op vrijheid, veiligheid en het verbod op dwangarbeid. Het is een erg actueel maar onzichtbaar onderwerp dat helaas ook in Nederland vaak voorkomt.


Mensenhandel in Nederland

Een van de meest bekende vormen van mensenhandel in Nederland is de binnenlandse seksuele uitbuiting. Jaarlijks worden ruim 1300 Nederlandse meisjes slachtoffer van deze vorm van uitbuiting. Een bekend fenomeen dat zich de laatste decennia heeft ontwikkeld zijn ‘loverboys’. Volgens oud Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen, Corinne Dettmeijer, is een loverboy ook een mensenhandelaar. Loverboys zijn jongens die proberen meisjes de prostitutie in te lokken door ze eerst te verleiden. Het gevaarlijke aan deze vorm van mensenhandel is dat het niet gauw boven water komt, zo worden de meisjes ingezet in de thuisprostitutie of als escort. Op deze manier zijn ze minder goed vindbaar voor veel hulpinstanties. Slachtoffers verdwijnen simpelweg uit beeld en zo blijft er onzekerheid omtrent hun situatie. Daarbij komt dat slachtoffers van loverboys vaak door schaamte of verliefdheid geen aangifte doen, dit maakt het extra moeilijk om de situatie in kaart te brengen.


Meldingen en spanning met de nieuwe Privacywet

De nieuwe privacywet maakt het volgen en registreren van slachtoffers ook lastiger. Deze wet verplicht de jeugdinstellingen om slachtoffers schriftelijk toestemming te vragen voor een melding bij CoMensha. Dit is het landelijke coördinatiecentrum tegen mensenhandel. CoMensha brengt mensenhandel in beeld door slachtoffers te registreren, analyseren en op basis daarvan rapporten op te stellen. Indien de slachtoffers deze schriftelijke toestemming niet verlenen mist de overheid cruciale informatie, hierdoor wordt het moeilijker om de knelpunten in kaart te brengen en situaties te voorspellen.